Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„eenkomst, tusschen eenige werkgevers eenerzij ds en eenige verlenigingen van werknemers anderzijds aangegaan, steunde', „dat het Hof terecht hieruit heeft afgeleid, dat de President, — uit welwillendheid aan meergemeld verzoek voldoende, „— geen daad van rechtspraak verrichtte en de door hem ge„geven beschikking, ook al werd zij in den vorm eener rechtelijke „beslissing gegeven, dit karakter in werkelijkheid niet had..." 9).

Houdt men vast aan den eisch, dat ieder verzoekschrift op de wet moet steunen, dan heeft men tenslotte nog de vraag te beantwoorden, in hoeverre men voor een dergelijken steun van analoge wetsuitlegging gebruik mag maken. Naar mijn meening is een beperkte analogie in dezen zeker geoorloofd 10), daar het voorschrift, waarin een bepaalde soort vrijwillige rechtspraak aan den rechter wordt opgedragen, niet slechts naar de letter, doch ongetwijfeld ook volgens de strekking mag worden uitgelegd. De Hooge Raad sluit zich geheel bij deze opvatting aan, zooals blijkt uit zijn arrest in de navolgende zaak u):

Aan de Rechtbank was op grond van art. 1067 B.W. benoeming van een bewindvoerder geviaagd, echter niet in de plaats van een ander wegens diens ontstentenis, maar omdat de erflater in het geheel geen bewindvoerder had aangewezen. Rechtbank en Hof verklaarden requestrant in zijn verzoek niet-ontvankelijk, omdat art. ioój B.W. daartoe niet de bevoegdheid gaf. De Hooge Raad vernietigde deze beschikkingen en overwoog: „dat de strekking van „art. 1067 B.W. blijkbaar is, te voorkomen, dat bij gebreke van

•) H.R. 11 Mei 1931, aangehaald in 5).

10) Aldus ook Zuidema, t. in 3) a.p.

11) h.R. 28 November 1918 N.j. 1919 bldz. 104. Zie ook de volgende lagere beslissingen: Hof den Haag 26 Maart en 26 April 1917 N.j.

1918 bldz. 83 vernietigend Rb. den Haag 26 Februari 1917 (zie noot 5) ; Hof Arnhem 23 October 1928 N.J. 1929 bldz. 103.

Te ver gaat mijns inziens echter: Rb. Amsterdam 30 April 1919 N.J.

1919 bldz. 684, waarbij iemand, die ernstig ziek was geworden, „afwezig" werd geacht in den zin van art. 519 B.W.; het Hof Amsterdam 9 Februari 1920 W. 10606 besliste dan ook in een andere zaak in tegengestelden zin. Gaat men nog verder, dan laat men den eisch, dat het verzoekschrift op de wet moet steunen, practisch vallen: zie in dit verband de in 7) vermelde beslissingen Rb. Haarlem van 1885 en Rb. Rotterdam van 1927.

Sluiten