Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Hoogen Raad dient echter getwijfeld te worden. Na herhaaldelijk ») te hebben uitgemaakt, dat de artt. 38 en 53 R.O. bij procedures van vrijwillige rechtspraak niet toepasselijk zijn en bij het zwijgen der wet over de vraag, wélke rechter in een bepaald geval bevoegd is, de bedoeling van den wetgever daaromtrent moet worden opgespoord, heeft de Hooge Raad deze opvatting in 1926 1S) plotseling verloochend door te overwegen: „O. ten aanzien der bewering, dat de bestreden beschikking had „moeten zijn gevraagd van den president der Arr.-Rechtbank, die „zich dus onbevoegd had moeten verklaren om van het verzoek „kennis te nemen; dat deze bewering is ongegrond, daar art. „487 K. (oud) den rechter, tot wien het daar bedoelde verzoek „moet worden gericht, niet aanduidt, zoodat de bevoegdheid van „den gewonen rechter dat is de Arr.-Rechtbank, moet worden „aangenomen".

Het is echter de vraag, of de Hooge Raad met deze enkele weinig overtuigende woorden zijn oude opvatting heeft willen verlaten en of men hier niet veeleer te doen heeft met een minder gelukkige redactie, waaraan het begin van de geciteerde passage ook lijdt.

Omtrent de betrekkelijke bevoegdheid heeft de Hooge Raad in 1931 19) uitgemaakt, dat bij de procedures van vrijwillige rechtspraak de algemeene regel geldt, dat bevoegd is de rechter van de woonplaats van den verzoeker 20). De Hooge Raad verwerpt hiermede dus de toepasselijkheid van de competentieregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in dezen 21).

Procesgang.

Wanneer het verzoekschrift ter griffie is ingediend, moet

ad art. 38 A.I., bldz. 298, alwaar alle, hier niet vermelde, lagere jurisprudentie in beiderlei zin is te vinden.

Anders (alleen ten aanzien der betrekkelijke bevoegdheid en zonder

nadere motiveering): Zuidema (aangeh. in noot 3) bldz. 99.

") N.l. bij de arresten van: 7 December 1900 W. 7531; 30 Juni 1911

W. 9254 en 23 Januari 1919 N.J. 1919 bldz. 262.

18) Bij arrest van 14 October 1926 N.J. 1926 bldz. 1348.

*») Bij arrest van 21 Juli 1931 N.J. 1931 bldz. 1406.

">) Aldus ook: Hof den Haag 7 Maart 1927 N.J. 1929 bldz. 998.

21) Anders: Hof Leeuwarden 30 October 1929 N.J. 1930 bldz. 1296.

Sluiten