Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen48), waardoor de rechtszekerheid niet wordt bevorderd.

Vrijwel algemeen wordt deze nietigheid dan ook wèl mogelijk geacht en verschilt men slechts over de vraag hoe ver zij zich uitstrekt. Hieromtrent loopen de meeningen echter sterk uiteen. Afgezien van minder groote verschillen kan men hier in hoofdzaak drie groepen opvattingen onderscheiden:

de eerste groep wenscht de nietigheid te beperken tot de volgens hen onbestaanbare of onuitvoerbare 49) beslissingen 50),

48) Aldus ook Jaspar (t. in noot 50 a.p.),die er terecht opwijst, datvolgens deze opvatting twee tegenstrijdige beslissingen beide in rechten geëerbiedigd moeten worden.

Wanneer er een voogd benoemd wordt, terwijl er reeds een voogd is, zal echter volgens Kirberger (t. in noot 47 a.p.),omdat er niet 2 voogden in één voogdij kunnen zijn (art. 386 B.W.),de werking der eerste voogdij „opgeschort" worden en ook Adriani (t. in noot 47 a.p.) kiest van twee tegenstrijdige voogdijbenoemingen, ontstaan doordat bij de laatste ten onrechte de nietigheid van de eerste is aangenomen, de laatste dezer beslissingen en neemt i.c. eveneens aan, dat de eerste voogd op grond van art. 386 B.W. zijn functie verloren heeft (zijn beroep op art. 386 b lid 1 B.W. is mijns inziens een petitio principii). Volgens Scholten (t. in noot 47 a.p.) blijft in het laatste geval de eerste beslissing van kracht en is de tweede nietig; hij erkent evenwel uitdrukkelijk hierdoor een uitzondering te maken op de door hem aangenomen regel: „Beslissingen in voluntaire jurisdictie genomen moe„ten in rechten worden geëerbiedigd, het staat een lateren rechter „niet vrij om de juistheid, zelfs niet om de geldigheid van een dergelijke beslissing te onderzoeken", omdat wanneer men dezen regel zoover zou doorvoeren als Adriani, men hem feitelijk daarmee weer zou laten varen.

*•) Bijv. benoeming van een voogd over een meerderjarige of over iemand, die reeds een voogd heeft. Zie hieromtrent nader in 50). ") Zie: Jaspar in W.P.N.R. 2204 bldz. 144: Beslissingen tot het geven waarvan de bestaansvoorwaarden ontbreken zijn nietig (bestrijdend en bestreden door Adriani t. in noot 47 a.p.) en H.R. 17 October 1918 N.J. 1918 bldz. 1114 (Na echtscheiding van ontzette ouders benoemt de Rechtbank niettemin de moeder tot voogdes: benoeming nietig). Afwijkend: Suyling (zie noot 51), die bij benoeming van een voogd, terwijl de minderjarige reeds een wettelijken voogd had, de benoeming niet nietig acht (aldus ook: Hof 's-Hertogenbosch 25 April 1899 W. 7325, anders: Rb. Alkmaar 20 Februari 1913 N.J. 1913 bldz. 1071). Zie hierbij ook 51) voor het standpunt van Meijers.

Sluiten