Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 2

Hooger beroep

Inleiding.

Bij een groot aantal procedures van vrijwillige rechtspraak heeft de wet verschillende vragen, die met betrekking tot het hooger beroep tegen de beslissingen kunnen rijzen, uitdrukkelijk in het bijzonder beantwoord; bovendien bevat art. 345 R.v. omtrent eenige van deze vragen een algemeene regeling. Op de primaire vraag, in hoeverre tegen de beslissingen in procedures van vrijwillige rechtspraak hooger beroep kan worden ingesteld, is door de wet echter nergens een algemeen antwoord gegeven. Met deze vraag wensch ik mij thans in de eerste plaats bezig te houden.

Rechtsgrond.

Het beginsel der rechtspraak in twee instanties is bij de contentieuse procedure aanvaard om verbetering van in eersten aanleg gemaakte fouten mogelijk te maken en moet dus worden beschouwd als een bijzondere waarborg voor een juiste beslissing 1).

Bij zuivere uitvoering van wettelijke voorschriften is de kans op fouten zoo gering, dat een dergelijke waarborg overbodig mag worden geacht. Zoodra echter de beslissing van een overheidsorgaan elementen van rechtspraak gaat bevatten, is daarmede de mogelijkheid van verschillende opvattingen en te-

') Aldus ook: de Pinto, Handl. Burg. R.v., 2e druk, deel II, le stuk, bldz. 454—459; Faure, Procesrecht, deel V, § 157, speciaal bldz. 49; Star Busmann, Hoofdst. Burg. R.v., deel I, 3e druk, bldz. 56, No. 70; Cleveringa bij van Rossem, Burg. R.v., 3e druk, deel I, bldz. 513, ad art. 332 aant. 1; Coops, Grondtrekken Ned. Burg. Procesrecht, 4e druk, bldz. 15—16 en 115.

Sluiten