Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Literatuur en jurisprudentie.

De regel der appellabiliteit wordt in de literatuur en in de jurisprudentie bijna algemeen aanvaard10); over de vraag, in hoeverre op dezen regel uitzonderingen bestaan, heerscht echter groot verschil van meening.

Zuidema ") stelt zich op het standpunt der in beginsel onbeperkte appellabiliteit en laat hierop slechts uitzonderingen toe, voor zoover de wet zulks uitdrukkelijk voorschrijft.

Cleveringa 12) gaat verder en acht, tenzij de wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt, de beslissingen van den president der Rechtbank niet vatbaar voor hooger beroep, omdat de wet nergens in het algemeen heeft aangeduid, op welken rechter men van den president moet appelleeren 13).

„roep ontvankelijk is, dus in de eerste plaats hiervan afhangt, of de „beschikking, tegen welke het beroep is gericht, voorzegd karakter „draagt;

„dat ten deze feitelijk is uitgemaakt, dat het door de gerequestreerde „tot den president der Arr.-Rb. te Winschoten gerichte verzoek om „een lid en een voorzitter van een scheidsgericht aan te wijzen niet op „eenige wetsbepaling, doch enkel op de bepaling eener collectieve Arbeidsovereenkomst, ...., steunde;

„dat het Hof terecht hieruit heeft afgeleid, dat de President, — uit „welwillendheid aan meergemeld verzoek voldoende, — geen daad „van rechtspraak verrichtte en de door hem gegeven beschikking, ook „al werd zij in den vorm eener rechterlijke beslissing gegeven, dit karakter in werkelijkheid niet had en hooger beroep om die reden dus „reeds was uitgesloten".

Zie nader: Hoofdstuk III onder: „Het verzoekschrift moet op de wet gegrond zijn".

10) Aldus: v. Rossem—Cleveringa (aangeh. in noot 1) deel I, bldz. 568—571, ad art. 345 aant. 2; Coops (aangeh. in noot 1) bldz. 196; Zuidema, Rechtspraak op Verzoekschriften, Prft. Utrecht 1917, bldz. 114—120; Kirberger (aangeh. in noot 7) bldz. 110 sqq.; de Pinto (aangeh. in noot 1) deel II, le stuk, bldz. 474; Scholten, t. in § 1 noot 10 a.p. en Leon—v. Praag, R.O. deel II, bldz. 288—297 alsmede de daar aangehaalde talrijke jurisprudentie; zie laatstelijk nog: H.R. 30 Januari 1933 N.J. 1933 bldz. 453; H.R. 9 April 1934 N.J. 1934 bldz. 1284 en Scholten in zijn noot onder dit arrest.

Anders alleen: v. Rossem, Burg. R.v., le druk, bldz. 375—376, ad art. 345 aant. 2 en H.R. 13 November 1863 W. 2536.

") T. in 10) a.p.

1J) T. in 10) a.p.

") Ik ga nog verder (zie hierboven onder „Uitzonderingen").

Sluiten