Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel appellabel kunnen zijn, al naar mate het verzoek werd toegestaan dan wel geweigerd 16).

Een enkele maal heeft de Hooge Raad een bijzondere reden opgegeven, waarom i.c. de desbetreffende beslissing inappellabel werd geacht. Die reden is meestal gelegen in de strekking van de in het onderhavige geval toepasselijke wetsartikelen en in de bedoeling van den wetgever, steeds in verband met de noodzakelijkheid om iedere vertraging der „tenuitvoerlegging" te voorkomen ").

In een tweetal arresten heeft de Hooge Raad echter een geheel andere reden vermeld. In het eerste18), dat het i.c. niet gold een beslissing in een „burgerlijke zaak" maar „een „bij de fiscale wet voorgeschreven maatregel" en in het tweede 19), dat i.c. enkel sprake was „van een administratieve beschikking, „houdende begrooting en toewijzing van belooning voor werkzaamheden . Ik geef toe, dat in beide gevallen de beslissing een belangrijk administratief karakter droeg, doch dit is met alle beslissingen in procedures van vrijwillige rechtspraak in meerdere of mindere mate het geval en levert op zichzelf geen grond

'•) Zie ook: Cleveringa, t. in 10) a.p., bldz. 569 noot 7.

Dat de Hooge Raad deze consequentie wel wil aanvaarden, blijkt uit zijn arresten van 28 April 1916 N.J. 1916 bldz. 569 en 8 Januari 1920 N.J. 1920 bldz. 134. In beide gevallen betrof het een verzoek van een commissionair om verlof tot verkoop van de goederen van zijn commissiegever (art. 82 W.v.K.). Bij het eerste arrest werd het appèl van den commissiegever na toewijzing van het verzoek m'ef-ontvankelijk geacht en bij het tweede het appèl van den commissionair na afwijzing wel.

Ik kan mij met deze consequentie in het geheel niet vereenigen en zie hierin een volkomen ongemotiveerde bevoorrechting van den requestrant.

") Zie de arresten: H.R. 26 Mei 1911 W. 9212 (over art. 94 W.v.K.); H.R. 28 April 1916 N.J. 1916 bldz. 569 (over art. 82 W.v.K.); H.R. 30 Juni 1922 N.J. 1922 bldz. 1142 (over art. 94 W.v.K.) en H.R 8 October 1925 NJ. 1925 bldz. 1221 (over art. 876 R.v.).

) H.R. 17 Februari 1888 W. 5523, over art. 64 Successiewet, waarbij aan rijksambtenaren verboden wordt, aan derden afschriften te geven van successiememoriën anders dan op een bevelschrift van den Kantonrechter.

") H.R. 20 April 1923 N.J. 1923 bldz. 721, over art. 239 (oud) F.w. (salarisbepaling deskundigen in surséance).

Sluiten