Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STELLINGEN

I

Het is gewenscht, dat in de artt. 487.3°, 500, 506 en 509 B.W. en in art. 1 van het K.B. van 12 Maart 1930 S. 73 het woord „drankmisbruik" wordt vervangen door de woorden „misbruik van sterken drank of verdoovende middelen" en dat in art. 509 B.W. achter het woord „drankzuchtigen" worden ingevoegd de woorden „of aan verdoovende middelen verslaafden".

II

Het voorrecht van art. 210 Invaliditeitswet staat in rang gelijk aan dat van art. 12 sub B van de Wet van 22 Mei 1845 S. 22.

III

Het is gewenscht, dat de belooning van den onzijdigen persoon, bedoeld in art. 1117 B.W., gezien de aan deze functie verbonden risico's, aantrekkelijker wordt gemaakt, dan thans het geval is.

IV

De bepaling in de akte van oprichting van een naamlooze vennootschap, waarbij aan niet-aandeelhouders het recht wordt ontzegd om als schriftelijk gevolmachtigde van een aandeelhouder de algemeene vergaderingen bij te wonen, daarin het woord te voeren en het stemrecht uit te oefenen, is nietig.

V

Voor de toepasselijkheid van art. 56 lid 1 W.v.S. is gelijksoortigheid van de in dit artikel bedoelde feiten geen vereischte.

Sluiten