Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTSTAAN VAN HET GEMEENTEBEDRIJF

heid van de toeneming. Dat een gemeente, die bedrijven exploiteert, meer gelden voor kapitaalsuitgaven noodig heeft dan een gemeente, die zich van eigen bedrijven vrij houdt, spreekt vanzelf, Dat deze gelden voor een groot deel uit leening zullen moeten worden verkregen, is evenzeer duidelijk. Uiteraard leidt dit tot een belangrijke toeneming van de gemeentelijke schuld. Blijkens de Statistiek der Gemeentefinanciën 1937 was van het totaal der gemeenteschuld ad ƒ 2600 millioen niet minder dan ƒ 998 millioen of 38 % aangegaan ten behoeve van de financiering van bedrijven 1).

Hoe belangrijk dit bedrag op zich zelf ook is, het mag daarom nog niet bovenmatig worden genoemd. Bovenmatig zou het slechts zijn, indien de druk daarvan voor de gemeentelijke financiën te zwaar zou zijn. Voor het grootste deel, voor niet minder dan ƒ816 millioen, is echter voor deze leeningschuld gebleken 2), dat haar lasten, t. w. rente en aflossing, niet uit belastingen behoeven te worden gedekt, doch dat zij uit de exploitatie van de bedrijven zelf kunnen worden bestreden 3).

Terecht wordt dan ook in artikel 6 der Wet van 22 December 1933, S. 715, tot steun aan noodlijdende gemeenten en voorkoming van noodlijdendheid, voor de beoordeeling van de verhouding van den schuldenlast eener gemeente tot haar draagkracht onderscheid gemaakt tusschen de schulden der rendabele gemeentebedrijven en de overige leeningschulden. En als rendabele gemeentebedrijven worden ingevolge artikel 6 lid 3 van het Koninklijk Besluit van 27 Juli 1934, S. 445, dat tot uitvoering van de genoemde wetsbepaling strekt, beschouwd die takken van dienst, welker exploitatie naar het oordeel van de Ministers van Financiën en van Binnenlandsche Zaken voldoende waarborgen oplevert, dat de rente en aflossing van het in. die takken van dienst vastgelegde kapitaal uit de inkomsten van den tak van dienst kunnen worden bestreden. De leeningschuld terzake van gemeentebedrijven, die zelf voor rente en aflossing daarvan kunnen zorgen, telt dus bij het

*) T. a. p. blz. 9.

2) T.a.p. blz. XXIV.

3) Wat de aflossing betreft, practisch in den vorm van voldoende afschrijving.

Sluiten