Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF VOLGENS DE GEMEENTEWET

zakelijk kenmerk van het gemeentebedrijf. Het zou zeer wel denkbaar zijn, dat de wet aan gemeentebedrijven wel rechtspersoonlijkheid toekende. Zooals ook hierna zal blijken, is vaak de juridische eenheid met de gemeente als een bezwaar gevoeld. In die opvatting zou het beter zijn, dat een of meer van de gevolgen dier eenheid niet aanwezig waren, dat b.v. de bezittingen en schulden van het bedrijf niet met die der gemeente zouden worden vermengd, dat het personeel van het bedrijf niet gemeentepersoneel met de daaraan verbonden rechtspositie zou zijn en vooral dat de bevoegde organen der gemeente niet tevens in het bedrijf de lakens zouden uitdeelen. Dergelijke bedenkingen hebben dan ook dikwijls geleid tot het kiezen van een privaatrechtelijken organisatievorm van het bedrijf, waarbij dus wel een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van het bedrijf aanwezig is.

Voor gemeenschappelijke bedrijven, waarbij de bezwaren zich bijzonder sterk zouden kunnen doen gevoelen, heeft de wetgever sinds eenige jaren de mogelijkheid van afzonderlijke rechtspersoonlijkheid geopend. Sinds 1931 staat de wet toe daarvoor den vorm van een afzonderlijk publiekrechtelijk lichaam te kiezen (art. 130 Gemeentewet).

§ 2. Geschiedenis der wettelijke regeling De praktijk Terwijl reeds tientallen jaren lang gemeentebedrijven bestonden,

bestond vóór • , , i 1 t i 1 I J

de wette- 1S "e wetgever slechts zeer langzaam in beweging gekomen om de lijke regeling, wettelijke voorzieningen, welke het bestaan en de werking van deze bedrijven vorderden, te treffen. Aan de ontwikkeling van het gemeentelijke bedrijfsbeheer heeft de wetgever allesbehalve leiding gegeven; hij is achter de gebeurtenissen aangekomen, hij heeft niet meer gedaan dan de sanctie van de wet verleenen aan wat buiten en vaak tegen de wet tot stand was gekomen.

Zoo bestond reeds, voordat de wet dit toeliet, het afzonderlijke financieele beheer van gemeentebedrijven. De praktijk aanvaardde dit als een noodzakelijkheid1). Aan de wettelijke voorschriften,

1) Zie Be'infante, Opmerkingen over het beheer van gemeente-ondernemingen, Den Haag, 1898, hoofdstuk II De Praktijk, en zijn mededeelingen omtrent de Zutphensche gasfabriekkwestie in de inleiding. Deze kwestie betrof de wijze, waarop van het financieele beheer der gemeentegasfabriek in de gemeenterekening moest blijken. Destijds is hierover een pennenstnjd ontstaan, welken ik hier als niet meer van belang niet weergeef.

Sluiten