Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF VOLGENS DE GEMEENTEWET

dat de begrooting en de rekening alle ontvangsten en uitgaven der gemeente en dus ook die der bedrijven zouden bevatten, werd schijnbaar voldaan door daarin hetzij de totalen der ontvangsten en uitgaven van ieder bedrijf, hetzij de saldi van de bedrijfsexploitatie te vermelden 1).

Pas in 1909 werd een wettelijke grondslag gegeven voor een afzonderlijk financieel beheer van gemeentebedrijven in een zeer simpele regeling. Daarna werd deze eerst bij de wetswijziging van 1931 eenigszins uitgebreid.

Voor een goed begrip van de thans bestaande regeling lijkt mij kennisneming wenschelijk van wat daaraan in den vorm van wetsvoorstellen en geldende wettelijke bepalingen is voorafgegaan.

De allereerste keer, dat een voorstel tot wijziging van de Ge- Ontwerp tot de meentewet met de gemeentebedrijven rekening hield, was, voor- |897™S. no'' zoover ik heb kunnen nagaan, het ontwerp, dat geleid heeft tot de '56.

wet van 24 Mei 1897, S. no. 156, tot regeling van de financieele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten en herziening der algemeene regelen ten aSnzien van plaatselijke belastingen. Daarin kwam een artikel voor, krachtens hetwelk aan artikel 194 (thans 228) der Gemeentewet zou worden toegevoegd een zinsnede, waardoor bedrijfstarieven onder de goedkeuring van Gedeputeerde Staten zouden worden gesteld. Bij de behandeling in de Tweede Kamer echter verdween deze bepaling uit het ontwerp 2).

De eerste systematische poging om de voor de bedrijven noodig Wetsontwerpgeachte voorschriften in de wet te brengen deed Minister Kuyper ^uyper" bij een in 1903 ingediend ontwerp 3), waarvan ik in hoofdstuk II § 3 Teeds eenige bepalingen besprak.

Hoewel dit ontwerp niet tot wet is geworden, ja zelfs niet in behandeling is gekomen, is de kennisneming daarvan belangwekkend.

Zoowel omdat het verschillende elementen bevat, die ten slotte in 1931 m de wet zijn doorgedrongen, als om het feit, dat dit ontwerp van een ruimeren blik op het vraagstuk der wettelijke regeling

) Zie hierover Oppenheim 3e druk deel I blz. 445 en vlg., die hierin geen strijd met de wet kon ontdekken en degenen, die van andere meening waren, letterknechten achtte.

2) Tweede Kamerstukken 1896, no. 87.

3) Idem 1903, no. 108.

Sluiten