Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF VOLGENS DE GEMEENTEWEI

streven naar vermijding van onnoodigen bureaucratischen omslag en de bevordering van een vlugge afdoening van zaken werd niet voldoende geacht om het goed recht van de uitzonderingsregelen aan te nemen.

Ook thans is het toelaten van den bedrijfsvorm nog steeds als een uitzondering te zien en een weigering daarvan is dus gerechtigd, wanneer het comptabel beheer van den tak van dienst even goed binnen het raam van de algemeene begrooting en rekening zou kunnen worden gevoerd. De practijk is in dit opzicht echter veel soepeler, m.i. wel eens te soepel. Men kan te ver gaan in de afsplitsing van diensten van de algemeene financieele administratie, waardoor het financieel beheer van de Gemeente onnoodig wordt verbrokkeld. Volgens de Statistiek der gemeente-financiën waren er op 1 Januari 1937 81 soorten gemeentebedrijven. De bedrijfsvorm is voor de meeste nog wel te verdedigen, maar wat te denken van takken van dienst als brandweer, een dienst van het onderwijs, een werkloozenfonds, een dienst van werkloosheidsvoorziening, diensten dus, welke in de meeste gemeenten zonder bezwaar onder het algemeene financieele beheer blijven! Wellicht is het Koninklijk Besluit van 1921 in zijn overwegingen wat te streng, maar richtsnoer voor de toelating van den bedrijfsvorm moet naar mijn meening blijven, dat de aard van den tak van dienst de administratieve zelfstandigheid bijzonder wenschelijk maakt.

Zooals ik reeds in hoofdstuk I § 2 opmerkte, is in de practijk Fondsen, aangenomen, dat gemeentelijke fondsen ook als tak van dienst,

bedoeld in artikel 252 der Gemeentewet, kunnen worden aangewezen 1). De term „tak van dienst" heeft dus wel een oneigenlijke beteekenis gekregen, hij is evenzeer een formeel begrip geworden als „gemeentebedrijf * zou zijn geweest, indien deze term in dit artikel gebruikt ware 2).

*) Zie Gemeentebedrijf en administratie, 20 Mei 1932, no. 1.

2) Leppink, Gemeentefinanciën, 2e druk, blz. 116, heeft in dit opzicht een eenigszins afwijkende meening:,,een studiefondsen een muziekfonds zouden wel als tak van dienst kunnen worden aangemerkt, omdat deze zijn ingesteld voor het verwezenlijken van een deel der maatschappelijke functie van de gemeente, doch dat een algemeen reservefonds niet als tak van dienst kan worden aangewezen, wijl de instelling daarvan alleen om redenen van boekhoudkundigen aard geschiedt". De praktijk heeft m. i. in een formeeleren zin beslist.

Sluiten