Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF VOLGENS DE GEMEENTEWET

van Gedeputeerde Staten behoefde, omdat zij geen bepalingen inhield, welke regelen stelden, afwijkende van de artikelen 113 en 114 (oud) der Gemeentewet.

Pas de wetswijziging van 1931 vorderde met zooveel woorden de Beheersvervaststelling van regelen voor het beheer der bedrijven. Deze ruimere 1931 tekst alsmede het daarnaast blijven bestaan van artikel 114iis (nieuw 122) motiveerden, dat deze regelen meer dienden te omvatten dan een voorziening in het comptabele beheer. Toch werd een tegenovergestelde meening verdedigd met een verwijzing naar de plaatsing van artikel 252 onder het hoofdstuk, dat over de begrooting handelt, en naar de sobere toelichting, die aan de bepaling in het wetsontwerp was toegevoegd.

De Kroon heeft spoedig voor de ruime opvatting beslist. In een Ruime uitspraak van 12 November 1932 *) werd overwogen, dat in een beheersverordenmg van een gemeentelijke spaarbank een bepaling, dat jaarlijks op de te verstrekken hypothecaire leeningen ten minste 2 % moest worden afgelost, bezwaarlijk kon worden gemist. Motiveering met het oog op de grenzen van artikel 252 ontbrak echter in deze uitspraak geheel. De vraag werd evenwel uitdrukkelijk behandeld in het Koninklijk Besluit

van 7 April 1933 2).

Aan de algemeene verordening op het beheer der Haagsche gemeentebedrijven hadden Gedeputeerde Staten goedkeuring onthouden, omdat deze verordening slechts een deel van de voor het beheer van het grondbedrijf vereischte regelen bevatte. Daarin ontbraken bepalingen omtrent de bedragen, voor welke gronden in het bedrijf worden ingebracht, de regeling van de boekwaarde enz.,

die waren opgenomen in een af zonderlij ke verordening op het grondbedrijf, welke niet ter goedkeuring was aangeboden. De Kroon verwierp de meening van het gemeentebestuur, dat de verordening ex artikel 252 slechts budgetaire en comptabele bepalingen behoorde te bevatten; de bewoordingen van de wetsbepaling gaven tot een zoo beperkte opvatting geen aanleiding. Ook het oordeel van Gedeputeerde Staten, dat de aangegeven bepalingen van dusdanig

J) W.G.B. 1932 blz. 339.

2) W.G.B. 1933 blz. 131.

Simons - Gem.-Bedr.

7

Sluiten