Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIVAATRECHTELIJKE ORGANISATIEVORMEN

Streven naar Het publiekrechtelijke gemeentebedrijf, althans dat van één gestandigLid"' meente, heeft slechts administratieve zelfstandigheid. Het is in velerlei opzichten eng verbonden met de geheele gemeentelijke huishouding. Zijn beheer is grootendeels in handen van de gemeentelijke bestuursorganen, zijn personeel is gemeentelijk personeel, zijn exploitatie-resultaat komt ten bate of ten laste van de algemeene financiën der gemeente.

Stel daartegenover een gemeentebedrijf met een privaatrechtelijken organisatievorm. Dit is niet slechts administratief, doch ook juridisch zelfstandig. Het beheer kan op andere wijze dan de Gemeentewet aangeeft geregeld worden. Het personeel is niet rechtstreeks in dienst der gemeente. De financiën kunnen strenger worden gescheiden van de algemeene gemeente-financiën.

Welke voordeelen worden hiervan verwacht? Een grootere soepelheid in het beheer. Een vrijer beleid ten aanzien van de aan de afnemers in rekening te brengen tarieven en de aan het personeel te betalen loonen l). Een ruimere, minder door het verband met de gemeente-financiën beheerschte afschrijvings- en reserveeringspolitiek 2).

Dit motief tot den privaatrechtelijken vorm roept in herinnering de vraag, die ik in hoofdstuk II behandelde, particuliere of publieke exploitatie van voor de gemeentenaren gewichtige diensten, en daarmede de argumenten, die voor en tegen het particuliere beheer werden aangevoerd. De voorstander van den privaatrechtelijken organisatievorm wijst op de commercialiteit, de efficiency in het beheer, die door dien vorm wordt verkregen. De tegenstander zal meenen, dat bij den privaatrechtelijken vorm

1) Sinds 1922 vallen de personen in vasten dienst van een naamlooze vennootschap of van eene rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging tot het dienen van gemeentelijke of provinciale belangen, die uitsluitend openbare lichamen tot vennooten of leden heeft, onder de Pensioenwet (art. 3 lid Pensioenwet). Blijkens de toepassingen worden intercommunale stichtingen ook hiertoe gerekend. Dit onderscheid met den publieken bedrijfsvorm is dus vervallen.

2) Zie b.v. Het door Erwin Stein aangehaalde oordeel van Dr. Lonmeyer over de in een N. V. vorm ondergebrachte bedrijven der gemeente Koningsbergen, Gemeentebestuur

1924, blz. 164. • •

Aldus ook Reorganisatie Gemeentebestuur, hoofdstuk III, rapport der commissievan der Pot, die echter niet tot een eenstemmig advies ten gunste van den privaatrechtelijken bedrijfsvorm kon komen, maar wel de belemmering, welke artikel 234 der wet oplevert, zou willen zien opgeruimd.

Sluiten