Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIVAATRECHTELIJKE ORGANISATIEVORMEN

zoodanig behandelen"1). Te dien einde is in artikel 146, eerste lid der Gemeentewet bepaald, dat „een gemeenschappelijke regeling niet mag geschieden in den vorm van een stichting, naamlooze vennootschap of andere burgerrechtelijke overeenkomst, dan indien deze vorm in verband met den aard van het te regelen belang daarvoor in het bijzonder aangewezen moet worden geacht". En voorts houdt het derde lid van dit wetsartikel in, dat de Kroon geen regeling aan gemeenten kan opleggen, waarbij een stichting, naamlooze vennootschap of andere burgerrechtelijke verbintenis in het leven wordt geroepen; anders dan bij de publiekrechtelijke samenwerkingsvormen is dwang van hoogerhand hiertoe dus uitgesloten.

Bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer is juist over artikel 146 uitvoerig gedebatteerd.

Een sterke strooming bleek te bestaan, die de privaatrechtelijke vormen meer vrijheid zou willen geven. Deze uitte zich o.a. in een amendement — van Hellenberg Hubar, dat door een andere redactie van artikel 146, eerste lid beoogde den positieven eisch voor het toelaten van een privaatrechtelijken vorm, n.1. dat deze vorm in verband met den aard van het te regelen belang daarvoor in het bijzonder aangewezen moest worden geacht, te vervangen door een negatief vereischte, t. w. dat die vorm niet mocht worden gebruikt, indien hij zich in verband met den aard van het belang daarvoor niet mocht leenen. Na een krachtige bestrijding door den Minister werd het amendement echter verworpen.

Een soortgelijke regeling als artikel 146, eerste lid bevat, is bij Deelneming dezelfde wijzigingswet getroffen ten aanzien van de deelneming ^tercom6 dan van gemeenten in andere dan intercommunale stichtingen of naam- munale looze vennootschappen. Op besluiten hiertoe is evenals op het str,c'ltlrïgen

r or n.v. en.

aangaan van gemeenschappelijke regelingen de goedkeuring van Gedeputeerde Staten voorgeschreven (artikel 228, letter g), doch daaraan is m artikel 234 der wet toegevoegd, dat deze goedkeuring niet wordt verleend dan indien deze vorm van behartiging van het gemeentelijk belang daarvoor in verband met den aard van dat belang bijzonder aangewezen moet worden geacht. Blijkens de

*) Zie Kooiman, Pari. Geschiedenis herziening Gemeentewet 1931, blz. 5.

Simons - Gem.-bedr. \ |

Sluiten