Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE FINANCIEELE STRUCTUUR

vrij stabiel is. Aldus is zijn toepassing te verklaren voor woningbouwverenigingen .

Voor bedrijven van één gemeente is de annuïteitsafschrijving in het algemeen niet noodzakelijk, mede door het bepaalde in artikel 41, derde lid der Rekeningsvoorschriften. Slechts bij de woningbedrijven is zij gebruikelijk, omdat zij past bij de op het annuïteitssysteem gebaseerde rijksvoorschot- en bijdrageregeling krachtens de Woningwet.

Aanvulling Daar bij dit stelsel de kapitaalslasten in de latere jaren niet dalen, houdsfonds" Seeft het §een ruimte om een stiigln§ van de onderhoudslasten op te vangen. Met het annuïteitssysteem dient daarom een nivelleering van de onderhoudslasten gepaard te gaan. Bij de woningexploitatie is dit gebruikelijk: jaarlijks wordt een vast bedrag per woning in een fonds gestort. Dit bedrag moet grooter zijn dan wat in de beginjaren voor het onderhoud vereischt is. Het overschot moet in latere jaren dienen om de dan hoogere onderhoudskosten te helpen bestrijden.

Ook bij andere bedrijven, welke de annuïteitsafschrijving toepassen, dient op deze noodzakelijke aanvulling van het stelsel te worden gelet.

Vermindering Doch ook indien voor de vorming van een onderhoudsfonds

van prestatie- d gezorgd, blijft aan het stelsel der annuïteitsafschrijving een vermogen. ö . * i**i 1 j. J

bezwaar kleven. Het houdt namelijk geen rekening met de mogelijkheid, dat het prestatievermogen der activa in den loop der jaren kan verminderen. Bijvoorbeeld zullen woningen door veroudering minder huur kunnen opbrengen *).

Afschrijving Bij streekwaterleidingen wordt de annuïteitsafschrijving (of een bij streek- stelsel van met de jaren stijgende afschrijvingen, dat met het annuïleidingen. teitsstelsel groote verwantschap vertoont) vrij veel toegepast ). De beginjaren der exploitatie zijn niet zeer gunstig, omdat de water-

1) Voor de toekomst wil het Rijk aan dit bezwaar bij zijn woningbouwvoorschotten tegemoet komen door combinatie van twee annuïteiten de eerste, berekend naar een aflossingstermijn van 40 jaren, die ten hoogste 15 jaar zal gelden, de tweede die daarna aanvangt en zal worden gebaseerd op een (restant) loopt.,d van in den .'egel 35 jaren (z.e de circulaire van den Minister van Binnenlandsche Zaken, dd. 6 October IWÖ).

2) Zie mijn artikel over Rentabiliteit en belegging in „Drinkwatervoorziening in Nederland 1913—1938" (Gedenkboek van de Centrale Commissie en het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening), blz. 1% en 197, waaraan ik hier het een en ander ontleen.

Sluiten