Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF EN ZIJN AFNEMERS

samenwerkende gemeenten zelf de aansluiting bij het bedrijf verplicht te stellen.

In het bijzonder bij streekwaterleidingen wordt met de aansluitingsverplichting beoogd de exploitatie, welke slechts bij een ruim aansluitingspercentage een behoorlijk resultaat kan geven, financieel mogelijk te maken. Langs den omweg van het mogelijk maken, resp. het instandhouden van het bedrijf kan de aansluitingsverplichting geacht worden de openbare gezondheid te dienen ).

De verordeningen kunnen de aansluiting en het aangesloten houden aan de waterleiding verplicht stellen. Zij kunnen ook daarnaast of in plaats daarvan den plicht opleggen om met het waterleidingbedrijf een overeenkomst aan te gaan en deze overeenkomst in stand te houden, krachtens welke een woning of een ander gebouw aan de waterleiding wordt aangesloten en daarin water kan

worden geleverd.

Terwijl de lagere rechters soms afwijzend stonden tegenover de aansluitingsverplichting of de bepaling, welke haar vestigde, eng interpreteerden, heeft de Hooge Raad beide vormen als wettig aanvaard. In de enkele aansluitingsverplichting acht hij begrepen de verplichting de maatregelen te nemen, die tot een aansluiting leiden, met inbegrip zoo noodig van onderwerping aan de van hooger hand goedgekeurde of vastgestelde voorwaarden 2). Doch de Hooge Raad oordeelt ook verbindend een gemeenteverordening, waarbij de verplichting wordt opgelegd tot het aangaan en in stand houden van overeenkomsten tot waterlevering met een waterleiding 3).

Leverings- De tegenstelling tusschen vrijheid en verplichting is minder voorwaarden. groot jg VOOrwaarden, waarop de levering geschiedt.

!) Een commissie van A.R. gemeentebestuurders, die de kwestie der verplichte waterleiding onderzocht, wil ingezetenen, die over zuiver bodemwater beschikken den aansluitingsplicht slechts opleggen, indien daarmede het voortbestaan van een drinkwatervoorziening gemoeid is. (Z)e Magistratuur, November 1937).

2) H. R. 27 April 1931, W. 12333. .

s) H. R. 6 November 1933, W. 12715. Günther is van meening, dat de gemeente niet bevoegd is tot een absoluten contractsdwang, welken hij ook in de enkele verplichting tot aansluiting aanwezig acht. Z. i. mag daarom de gemeentelijke wetgever nooit een aansluiting op de waterleiding voorschrijven, zonder daarnaast andere middelen, die evenzeer goed drinkwater leveren, toe te laten (blz. 145—151). De jurisprudentie van den Hoogen Raad is hiermede niet in overeenstemming.

Sluiten