Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI HET GEMEENTELIJK GRONDBEDRIJF § 1. Doeleinden van het Grondbedrijf

In menig opzicht onderscheidt zich het gemeentelijk grondbedrijf van die bedrijven, waarvan ik in de vorige hoofdstukken eenige vraagstukken behandelde. Dit bedrijf heeft zulk een eigen karakter en zijn beteekenis is zoo groot, dat het een afzonderlijke

bespreking vereischt1).

Onder een grondbedrijf versta ik de stelselmatige exploitatie van een gemeentelijk grondbezit teneinde te voorzien in de behoefte aan terreinen voor den bouw van woningen of voor de vestiging van industrieën. Ik beperk den term „grondbedrijf dus niet tot de bijzondere financieele regeling, welke voor de exploitatie met toepassing van artikel 252 der Gemeentewet kan worden getroffen 2). Primair is de economische werkzaamheid zelve; deze maakt voor mij het grondbedrijf uit. De financieele regeling houdt daarmede verband en slechts in samenhang met de exploitatie kan zij worden verklaard.

Doeleinden. Welke doeleinden beoogt een gemeente met het hebben van een grondbedrijf? Buiten beschouwing laat ik het geval, dat een gemeente van oudsher gronden in bezit heeft gehad en deze thans verkoopt of in erfpacht geeft uitsluitend om met haar bezit een zoo groot mogelijk geldelijk voordeel te behalen. Wellicht is dit het doel van een of enkele der meer dan honderd gemeentelijke grondbedrijven hier te lande 3). De vele andere, die ook oud gemeentelijk bezit

1) Zie inzake het grondbedrijf in het algemeen de inleidingen van Mr. P. Droogleever Fortuvn en N. L. Reuvecamp voor de Vereemging van Gemeente-Accountants, IVZ/, en voorts verschillende hoofdstukken van Dr. G. Th. J. Delfgaauw, De grondpolitiek van

de gemeente Amsterdam, 1934. , , ■>. ,

2) Aldus Leppink, t.a. p. blz. 160, die het grondbedrijf onderscheidt van de „gemeente-

'!'k) Zie omtrent gemeentelijke grondbedrijven in andere landen het algemeene rapport (van Mr P. Droogleever Fortuyn) en de landelijke rapporten inzake „la politique tonciere des communes et son influence sur le problème de 1'habitation , uitgebracht aan het II Ie Congrès international des Villes (1925).

Sluiten