Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTELIJK GRONDBEDRIJF

dan een centrum ontstaat en dat op deze wijze bepaalde, reeds bebouwde gronden in waarde toenemen.

Indien deze waardestijging zich verwezenlijkt, is zij niet het gevolg van handelingen van den grondgebruiker, maar wordt zij veroorzaakt door factoren van de stadsontwikkeling. Het is begrijpelijk, dat de gedachte opkomt, dat deze waardestijging aan de gemeenschap, i. c. de gemeente, en niet aan een individueelen bezitter ten goede moet komen. De situatie lijkt op die van de gemeentelijke baatbelasting (artikel 281 der Gemeentewet).

De gemeente kan zich van deze verdere waardestijging slechts verzekeren, indien zij den grond in erfpacht uitgeeft voor bepaalden tijd of voor onbepaalden tijd met periodieke herziening van den canon.

De mogelijkheid van waardestijging worde evenwel niet overschat. De afstandsvoordeelen zijn door verbetering van de verkeersmiddelen van minder beteekenis dan vroeger. Het wordt veelal aantrekkelijker geacht in een buitenwijk dan in een druk centrum te wonen. Als het gemeentelijk grondbezit slechts voor buiten het centrum gelegen woonwijken werd uitgegeven, is daarbij in het algemeen geen of geen belangrijke waardestijging te verwachten.

Ten slotte — en dit is voor de geheele grondpolitiek van belang — Grens van de is niet te verwachten, dat de steden voortdurend zullen blijven uitbreiden. Naar de thans bekende gegevens is het waarschijnlijk,

dat de bevolkingstaenemin.g-.van Nederland geleidelijk zal worden vertraagd en dat tenslotte een — althans voor eenige generaties —

stabiel peil zal worden bereikt. Ook voor iedere stad afzonderlijk mag de uitbreiding niet worden gezien als een blijvend verschijnsel.

Daarbij laat ik buiten beschouwing de kwestie van de toevallige gemeentegrenzen en neem aan, dat deze zoo noodig door annexatie van randgemeenten kunnen worden verruimd. Voor Amsterdam en 's-Gravenhage is een schatting gemaakt van den verderen groei der bevolking, die een waarschijnlijk eindpunt daarvoor aanwees x).

*) Dienst der publieke werken van Amsterdam, Studie betreffende den toekomstigen bevolkingsaanwas van Amsterdam, 1932, en Ir. P. Bakker Schut, De bevolkingsbeweging,

in Nederland en in het bijzonder te 's-Gravenhage, 1933. Zie ook Ir. L. H. J. Angenot, De toekomstige loop der bevolking in Nederland en in het havengebied van Rotterdam,

1934, en Mededeeling no. 3, Maart 1937, van het Centraal Bureau voor de Statistiek,

Het probleem van de toekomstige bevolkingsgrootte van Nederland.

Sluiten