Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTELIJK GRONDBEDRIJF

ook de Kroon bij haar besluit van 7 Januari 1936, no. 19, nopens een wijziging van de beheersverordening van het Arnhemsche grondbedrijf:

„dat de Raad nog heeft gewezen op het bezwaar van de door Gedeputeerde Staten noodzakelijk geachte periodieke waardetaxatie, welke voor een gemeente als Arnhem niet goed mogelijk zou zijn, doch dat zoodanige taxatie, al moge zij op subjectief inzicht berusten, bij een grondbedrijf met het stelsel van rentebijschrijving onmisbaar moet worden geacht" 1).

Aan het bezwaar, dat eenige buitenstaanders over de gemeentefinanciën beslissen, wordt eenigermate tegemoetgekomen door de eindbeslissing aan den Raad te geven, die deze macht m. i. slechts tot verhooging van de taxatiewaarde mag aanwenden bij een aperte fout van de taxateurs. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben in het geval-Den Helder, dat op dit punt niet tot een uitspraak in hoogste instantie heeft geleid, in overweging gegeven het denkbeeld van een hertaxatie, indien de Raad zich met de eerste schatting niet kon vereenigen 2).

Het zou in het algemeen niet juist zijn een periodieke taxatie uit te stellen, omdat de conjunctuur in de depressiephase is. De laatste jaren hebben geleerd, dat niet steeds op een spoedige conjunctuursverbetering mag worden gerekend. Uitstel van taxatie en dus van maatregelen, wier noodzakelijkheid door de taxatie aan het licht zal komen, is in de gegeven omstandigheden struisvogelpolitiek.

Wil men al te nadeelige gevolgen van een taxatie voorkomen, dan is het noodzakelijk tijdig reserves te kweeken en hierdoor reeds voor eventueele toekomstige tegenvallers een compensatie te vormen.

Voorstelden van verschillenden aard, waarbij de taxaties zouden kunnen worden gemist, gaan er terecht van uit, dat alsdan de rente niet of niet volledig kan worden bijgeschreven 3).

x) Gemeentestem no. 4419, W.G.B. 1936, blz. 70.

2) Zie Reuvecamp, Van Dienst en Luuring, t. a. p. blz. 52 en vlg. en Van Poelje in W. N. B. G. A. nos. 1542 en 1543.

3) Zie bv. de artikelen van B. B. L(uuring) in F. O. 1935, blz. 326 en 353.

Sluiten