Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTWIKKELINGSTENDENZEN

Uit Engeland en Frankrijk zijn voorbeelden bekend van dergelijke speciale bestuurslichamen voor het beheer van havens. Thans ontbreekt in het gebied van den Nieuwen Waterweg eenheid in het bestuur der havens, die in verschillende gemeenten liggen en wier eigendom aan deze gemeenten en voor een enkele aan een particuliere onderneming toebehoort.

De volgende bezwaren daarvan zijn genoemd. De regionale belangen van het havengebied komen niet voldoende tot hun recht. Aan een te groot aantal havens en haventjes worden moeite en kosten besteed, de ontwikkeling van een wereldhaven zou veeleer volgens één bepaald plan dienen te geschieden. De havens in de kleinere gemeenten leven op de aantrekkingskracht van den Nieuwen Waterweg en dus indirect van Rotterdam, terwijl zij niet of onvoldoende bijdragen in de kosten van het geheele havencomplex, waarvan Rotterdam het leeuwendeel draagt.

Omtrent de taak van het havenschap zijn in hoofdzaak twee denkbeelden bepleit. Volgens het eene zouden aan het havenschap alle havenwerken binnen zijn gebied in eigendom en beheer worden overgedragen. Gemeentelijk havenbeheer zou daarmede geheel zijn uitgeschakeld. In 't Veld heeft daartegen aangevoerd, dat aangezien de welvaart eener gemeente ten nauwste bij den bloei van haar haven is betrokken, van een gemeente niet mag worden verlangd deze welvaartsbron eenvoudig uit te leveren aan een lichaam, op welks gestie zij slechts een beperkten invloed heeft.

Volgens het andere denkbeeld zou de taak van het havenschap zich bepalen tot regeling en controle, terwijl het beheer zou blijven aan de daarbij betrokken gemeenten en particulieren. Dit denkbeeld zal gemakkelijker te verwezenlijken zijn dan het eerste, dat bij een poging daartoe gevaar zou loopen te stranden op de klip van de noodzakelijke financieele verhouding tusschen havenschap en gemeenten.

Ook de door de Regeering ingestelde Commissie tot onderzoek naar de havenbelangen van Rotterdam en omgeving koos in haar rapport de tweede oplossing. Den naam „havenschap" achtte zij

Mr. P. Droogleever Fortuyn) tot onderzoek naar de havenbelangen van Rotterdam en omgeving, 1931, en de daar vermelde literatuur.

Sluiten