Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tractbreuk heeft gehad en laat hem vrij uitgaan, als hij bewust medewerkt, doch toevallig niet de leiding heeft gehad.

Levenbach zegt dan ook consequent: „Zou men nu echter met Drucker in bovenstaande gevallen aannemen, dat „maatschappelijk onbehoorlijk" gehandeld is, dan volgt daar nog niet uit, dat zulks ook het geval is, indien de contractbreuk enkel maar een bijkomstig gevolg is van een handelwijze, die op iets heel anders gericht is, dan juist op verijdeling van het door het contract beoogde doel, dan schennis juist van het contractueel opzettelijk beschermde belang". Voor mijn gevoelen is deze onderscheiding niet scherp genoeg om er een al dan niet aansprakelijkheid van te laten afhangen. Wanneer de contractbreuk alleen een bijkomstige omstandigheid is, dan neemt dit niet weg, dat men deze contractbreuk bewust heeft gewild. Ik kan niet inzien, dat het veel minder immoreel is, om als voornaamste doel na te streven datgene, waar een ander recht op heeft, dan wel als nevendoel. Bereiken wil men dat doel in elk geval. De jurisprudentie gaat tegenwoordig, voorzoover ik kan zien, ook een anderen kant op.

De tweede omstandigheid, waarin Levenbach de derde aansprakelijk acht is: „de eigene voorsprong, welke een van overigens gelijkwaardige concurrenten zich contractueel had verzekerd, verschaft de ander zich ten zijnen koste door contractbreuk te bevorderen". B.v. iemand verhypothekeert zijn goed aan twee verschillende personen en de tweede verkrijger zorgt in overleg met den hypotheeknemer ervoor het eerst de inschrijving te bewerken. Volgens Levenbach is echter geen maatschappelijke onbehoorlijkheid aanwezig, „indien de derde tot den contractschenner in een geheel andere verhouding staat dan de gelaedeerde en hij dus niet ter omkeering van een voordeel in de concurrentie, doch ter behartiging van de geheel andere belangen van zijn positie aan de contractbreuk meewerkt".

Ik heb hiertegen dezelfde bezwaren als in het bovenomschreven geval, dat het „opzettelijke doel" van de contractsbepaling wordt verijdeld.

De meeste schrijvers spreken, gelijk al gezegd, over het geval, dat een derde meewerkt aan contractbreuk. Andere gevallen worden besproken door Meijers en de Grooth.

De eerste spreekt over het geval, dat merkartikelen onder den

Sluiten