Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een andere groep gevallen, welke in de fransche rechtspraak naar voren is gekomen, betreft de medewerking aan handelingen in strijd met een concurrentiebeding, dus b.v. dat iemand een vennootschap aangaat met iemand, die door een concurrentiebeding gebonden is om niet in de voorgenomen branche werkzaam te zijn. De fransche rechtspraak acht dien derde aansprakelijk, indien hij met het concurrentiebeding op de hoogte is geweest, b.v. het arrest van het Cour de Cassation van Juni 1927 x): „Attendu que le demandeur en cassation soutient que la cour d' appèl a considéré a tort comme lui étant opposable le contrat intervenu entre M, et les établissements B.; mais attendu que 1' arrêt ne reproche pas a G. de n' avoir pas exécuté ou fait exécuter une convention a laquelle il est resté étranger, mais d' en avoir, par des actes quasi délictueux accomplis en pleine connaissance de cause dans son intérêt, amené ou facilité la rupture".

In de nederlandsche rechtspraak zijn van dit geval geen voorbeelden te vinden, doch naar mijn meening zou in denzelfden zin beslist moeten worden.

Een derde groep gevallen in het fransche recht betreft het z.g. „pacte de préférence", bij ons gewoonlijk bekend onder den naam voorkoopsrecht. Een voorbeeld hiervan vindt men in een arrest v.h. Cour de Cassation van 15 April 1902 2). Een huurder had bij zijn huurcontract het voorkoopsrecht gekregen op het door hem gehuurde huis. Eenigen tijd later verkoopt de verhuurder het huis aan een derde. In de koopacte werd het volledig huurcontract opgenomen dus met de bepaling omtrent het voorkoopsrecht, zoodat de kooper hiermede volledig op de hoogte was. De huurder vroeg van den kooper geen geldelijke schadevergoeding maar eischte, dat het huis alsnog aan hem verkocht zou worden, dus feitelijk schadevergoeding in natura. Zijn vordering werd hem toegewezen. Het „Cour de Cassation" overwoog daarbij het volgende: „Attendu qu'en estimant, d' une part, dans ces circonstances de fait que, si le pacte de préférence ne confère qu'un droit personnel, comme constituant une promesse unilatérale de vente, le tiers acquéreur doit néanmoins être tenu de restituer la chose quand il a eu connaissance de

1) Gaz. Pal. 1927. 2. 431.

2) S. 1902. 1. 316.

Sluiten