Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het uitlokken van contractbreuk. Als kenmerken hiervan kan men allereerst beschouwen, dat het den uitlokker om de wanpraestatie zelf te doen was. Zonder die wanpraestatie zou zijn doel niet bereikt zijn. Deze bedoeling van de handeling van den derde is echter niet voldoende en kan geen aansprakelijkheid te weeg brengen, indien de handeling zelf niet onzedelijk of onbehoorlijk was. Wanneer b.v. in het bovenaangehaalde geval, waarin iemand een hypotheekbank er toe gebracht heeft om een toezegging voor een geldleening niet gestand te doen, geen gebruik was gemaakt van een valsche handteekening en leugenachtige beweringen, doch open en bloot argumenten waren aangevoerd op grond waarvan een credietverleening niet aan te raden was, dan zou hij niet aansprakelijk geweest zijn, al was ook zijn bedoeling, dat de hypotheekbank wanpraestatie zou plegen.

In het bovenaangehaalde vonnis van de Rechtbank te Zutfen worden eischen voor uitlokking genoemd, welke het dichtst bij de door mij genoemde aansluiten, n.1. dat de derde oneerlijke bedoelingen heeft gehad en de gedane mededeelingen leugenachtig waren.

Wanneer het den derde niet speciaal ging om de wanpraestatie en hij zonder deze zijn doel ook kon bereiken, zal hij toch aansprakelijk zijn, ingeval hij middelen verschafte tot het plegen van contractbreuk. Voor de aansprakelijkheid is echter vereischt, dat de derde bekend was met het bestaan van de overeenkomst tot welker niet-nakoming hij medewerkte. Zoo oordeelde ook de Rechtbank te Arnhem in het geval van de huurzakken, en zoo oordeelen ook de meeste schrijvers naar wij in het vorige«hoofdstuk zagen. Tenslotte is het noodig, dat het voor den derde redelijkerwijze te verwachten was, dat door den debiteur zou worden gebruik gemaakt van de verschafte middelen.

In bovengenoemde N.O.T. zaak werd door de Rechtbank een onrechtmatig medewerken aan contractbreuk gezien. Zij zegt immers „ook al zou zij de handelwijze van de firma M. niet hebben uitgelokt, dan toch desbewust heeft meegewerkt om die vennootschap in de gelegenheid te stellen om in flagranten strija met haar contractueele verplichtingen te handelen". Ik heb dit vonnis ook om die reden in par. 1 behandeld. Hoewel ik ook van meening ben, dat de gedaagde onrechtmatig had gehandeld, zoo had m.i. het onrechtmatig element eerder in iets anders ge-

Sluiten