Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Enkele gevallen uit de jurisprudentie mogen dit toelichten. Eerst een arrest van den Hoogen Raad van 26 Juni 1891 1). Iemand had vischwater gepacht, waarna door een derde in dat water werd gevischt. De pachter sprak dien derde tot schadevergoeding aan. Deze beweerde gerechtigd te zijn om daar te visschen, maar de vordering werd toch tegen hem toegewezen. De H.R. overweegt o.a.: „dat 's Hofs beslissing dus niet is, gelijk bij het middel verkeerdelijk wordt voorgesteld, dat art. 1594 den huurder een actie zou geven wegens door derden ondernomen feitelijkheden, maar enkel, dat genoemd artikel zich tegen het instellen eener zoodanige acte niet verzet,

dat dit juist is, omdat art. 1401 B.W. in het algemeen aan ieder, wien door een onrechtmatige daad schade is toegebracht, en dus ook aan een huurder, die door feitelijkheden van een derde schade geleden heeft, het recht geeft om van hem, aan wiens schuld dit te wijten is, vergoeding te vragen".

Men ziet, dat hoewel hier geen wetsbepaling als overtreden wordt aangewezen, de stoornis van het huurgenot toch als onrechtmatig wordt beschouwd. Het tweede geval vinden wij in een arrest van het Hof te Amsterdam van 5 Februari 1915 2). Het betrof daar belemmering van den huurder in zijn huurgenot doordat een buurman een hek op zijn eigen grond afsloot, over welken weg gebruikers van het gehuurde perceel krachtens erfdienstbaarheid mochten loopen. Het Hof overwoog daarover: „dat, nu de wet den huurder een eigen recht toekent tot bescherming van zijn huurgenot, storing van dat genot door derden, door middel van feitelijkheden, is een onrechtmatige daad en de appellant hier derhalve terecht de bescherming van art. 1401

inroept". , A . ,

De stoornis kan op zeer verschillende wijzen plaats vinden,

zoo b.v. ook doordat een derde in een huis blijft zitten op het

oogenblik, dat de huurder krachtens het huurcontract recht

krijgt om het huis te betrekken 3). De H.R. overwoog in dit geval:

„dat eischer, de Jonge, moet worden toegegeven, dat de stoor-

1) H.R. 26 Juni 1891 W. 6059. RW.

Zie voor verdere beslissingen omtrent art. 1592 B W.. H.R. 20 April 1900 W. 7436, Hof 's-Gravenhage 20 Nov 1916, W. 10189, Pres. 's-Gravenhage 24 Juni 1918 W. 10411.

2) Hof Amsterdam 5 Febr. 1915, N.J. 1915, bl. 1073.

3) H.R. 24 Mei 1918, N.J. 1918, bl. 637.

Sluiten