Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitblijven der reparatie de schade hem eveneens treft, omdat hij hetzij na afbetaling der verschillende termijnen eigenaar wordt van een beschadigde zaak, hetzij na terugname der zaak door den verkooper bij de dan plaats vindende verrekening met deze schade wordt belast, waaruit volgt, dat het niet noodig is dat eischer de schade aan Franx had moeten betalen, om in deze actie tegen gedaagden ontvankelijk te zijn;

O., dat — afgezien van het onwaarschijnlijke geval, dat de huurverkooper zich bij de huurkoopovereenkomst zou hebben verbonden om tijdens het gebruik van de zaak door den kooper daaraan ontstane schaden te herstellen — de huurverkooper alleen dan schade zou kunnen lijden, indien hij de zaak zou hebben terug genomen en hij daardoor in een slechteren vermogenstoestand zou zijn geraakt, hetgeen reeds in het algemeen lang niet altijd het geval is en in dit bijzondere geval zeker niet, nu uit het door partijen gestelde valt op te maken, dat de huurkooptermijnen grootendeels door eischer zijn voldaan;

O., dat, dit laatste daargelaten, niet gebleken is, dat Franx den vrachtauto heeft teruggenomen en nog minder, dat hij daardoor in zijn vermogen is benadeeld, zoodat aangenomen moet worden, dat eischer als huurkooper de schade heeft geleden, en gedaagden niet bevreesd behoeven te zijn andermaal door Franx te zullen worden aangesproken;

O., dat uit het bovenstaande volgt, dat de Rechtbank eischer in zijn vordering ontvankelijk oordeelt;"

Uit bovenstaande overwegingen kunnen wij de conclusie trekken, dat de Rechtbank de relativiteitsleer van Van Gelein Vitringa, waarop de gedaagde zich blijkbaar had beroepen, verwerpt. De Rechtbank huldigt hier de opvatting, dat het niet relevant is welk belang de wettelijke voorschriften en normen van maatschappelijke betamelijkheid beoogen te beschermen. Zoodra een belang daadwerkelijk door een norm wordt beschermd is de overtreding daarvan een onbehoorlijke daad tegenover den belanghebbende.

Dat met een dergelijke onbehoorlijke daad de aansprakelijkheid van den dader nog niet vast staat werd boven reeds betoogd bij behandeling van art. 1592 B.W. Daarvoor is immers ook nog noodig, dat de dader het bestaan van de overeenkomst (huurkoop enz.) kon vermoeden. Aan dit punt werd niet voldoende aandacht geschonken door de Rechtbank te Rotterdam in haar vonnis van 27 September 1920 9 Het betrof ditmaal niet een huurkoop, doch de schenking van een stoomketel.

i) Rb. Rotterdam 27 Sept. 1920 W. 10657.

Sluiten