Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leed. Toch werden de octrooihouders wel ontvankelijk geoordeeld in hun vordering en de vertegenwoordiger niet. Het Hof overweegt omtrent de ontvankelijkheid van den vertegenwoordiger:

„O. toch, dat geïntimeerde door inbreuk te maken op de rechten van appellanten sub 1 en 2 als houders van het bij dagvaarding omschreven octrooi niet onrechtmatig handelt tegenover appellante sub 3, daar zij door die handelwijze tegenover deze appellante geen inbreuk op een verkregen octrooirecht maakt, en deze appellante hierdoor slechts zou zijn benadeeld ingevolge een door haar met de appellanten sub 1 en 2 aangegane overeenkomst ingevolge welke zij de vertegenwoordigster van appellanten sub 1 en 2 in Nederland is voor de toepassing van het onderhavige octrooi, welke overeenkomst voor geïntimeerde geene verplichting deed ontstaan om met het oog op het belang van appellante sub 3 door die overeenkomst verkregen,

zich van het maken van inbreuk op bedoeld octrooi te onthouden".

De uit overeenkomst voortvloeiende belangen zijn nog het stiefkind van het Hof te Amsterdam, immers de vertegenwoordiger in ons land zou slechts zijn benadeeld ingevolge de overeenkomst! Ik kan mij dan ook niet met deze overweging van het Hof vereenigen.

Het Hof zegt, dat de overeenkomst voor den derde geen verplichting deed ontstaan om met het oog op de belangen van den vertegenwoordiger, uit de overeenkomst voortvloeiende, zich v ■ octrooi-inbreuk te onthouden. Mocht het Hof bedoelen, dat er geen contractueele verplichtingen ontstaan, dan zou dat juist zijn, doch niet ter zake dienende. Het gaat er alleen om, of de overeenkomst een feit is, waarmede de derde moet rekening houden, en ik meen, dat dit ongetwijfeld wel het geval is. Ook al zou hij de gepleegde handelingen niet willen nalaten voor den octrooihouder, dan moest hij dat toch nog doen voor den licentiehouder. Waarom zouden de tot dusver besproken contractueele belangen wel worden beschermd en deze niet? Er is toch werkelijk niet zooveel verschil met den huurder. In beide gevallen wordt toch immers het genot, voortvloeiende uit subjectieve rechten aan een ander afgestaan! Het geval is hetzelfde, wanneer het genot van een merk bij overeenkomst wordt afgestaan.

In Frankrijk heeft L. Alexandroff evenzoo geoordeeld in zijn boek over merken en oneerlijke concurrentie i). Volgens hem

i) L. Alexandroff „Traité théorique et pratique des marqués et de la concurrence déloyale" (1935) tome II, no 365.

Sluiten