Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prof. van Brakel heeft in het weekblad v. h. Recht *) aangetoond, dat de voorzienbaarheid geen causaliteitsvraag is. Immers in de leer van de adaequate causaliteit wordt gezocht naar redelijkerwijze te verwachten gevolgen. Vóór men echter gaat vaststellen, welke gevolgen voorzienbaar waren, moet men eerst vaststellen, welke gevolgen de handeling gehad heeft. Deze vaststelling geschiedt nog steeds intuitief. Mocht hiervoor echter een theorie gevonden worden, dan zou dat eerst een echte causaliteits-theorie zijn. De adaequate causaliteits-theorie doet niets anders dan aanwijzen voor welke gevolgen de dader aansprakelijk gesteld moet worden en neemt dus aan, dat van te voren vast staat, welke de gevolgen zijn. Dit beperken van de aansprakelijkheid geschiedt op overwegingen van billijkheid en doelmatigheid.

Hoe moeten wij tot deze beperking der aansprakelijkheid komen, wanneer wij dat niet doen in den vorm van een causaliteits-theorie?

Allereerst maak ik de opmerking, dat men hier „voorzienbaarheid" niet moet opvatten als „kunnen voorzien", maar als „behooren te voorzien". Men behoort te voorzien, hetgeen een normaal mensch in de gegeven omstandigheden naar ervarings-

regelen kon voorzien.

Naar mijn meening ligt bovenbedoelde beperking van de aansprakelijkheid reeds opgesloten in de formule van den Hoogen Raad. Er wordt niet gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, welke betaamt tegenover eens anders goed, tenzij nadeelige gevolgen verwacht konden worden. Alleen met deze laatste voorwaarde is er dus pas een onrechtmatige daad gepleegd tegenover dengene, wiens goed is geschaad.

Als voorbeeld wijs ik hier op het bekende arrest van 3 Februari 1927 in zake Ligterink—van Oss, waarbij de Hooge Raad de leer van de adaequate causaliteit heeft aanvaard. De heeren van Oss hadden opzettelijk onware geruchten omtrent het Jurgensconcern verspreid en daardoor een tijdelijke daling van den beurskoers van die aandeelen veroorzaakt. Ligterink had zijn Jurgens aandeelen op die geruchten verkocht en schade geleden. De H.R. zegt, dat die verkoop het redelijkerwijze te verwachten gevolg was van de verspreiding der geruchten „de

i) Prof. S. v. Brakel, „Opmerkingen over causaliteit", W. 12700—12702.

Sluiten