Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De President wees de vordering toe, doch het Hof vernietigde dat vonnis o.a. overwegende:

„dat toch het feit, dat geïntimeerde krachtens contract met den fabrikant der Hudson en Essex automobielen de eenige vertegenwoordiger is van dezen in Nederland, niets anders beteekent, dan dat de fabrikant zich tegenover geïntimeerde verbonden heeft om aan geen ander dan aan geïntimeerde in Nederland haar auto's te leveren en geïntimeerde derhalve een contractueel recht verkrijgt tegenover de fabrikant maar aan dat contract geenerlei recht tegenover derden kan ontleenen; dat dan ook de President terecht overweegt, dat het hier niet gaat om een verbod van handeldrijven, daar toch de fabrikant geen uitsluitend recht heeft om zijn auto's hier te lande te verkoopen en dus een dergelijk recht ook niet aan een ander kan overdragen;

dat dan ook in het feit, dat een derde diezelfde auto's uit het buitenland betrekt, zij het dan van een ander dan den fabrikant, en daarin handeldrijft en voor dien handel reclame maakt, volgens het oordeel van het Hof niets onoorbaars is gelegen en daardoor noch een recht van den fabrikant noch een recht van geïntimeerde kan worden geschonden;

dat het Hof wil toegeven, dat het handeldrijven in Hudson en Essex automobielen en de reclame, die appellant daarvoor maakt, bij het publiek den schijn kan opwekken, alsof appellant vertegenwoordiger is van den fabrikant of wel tusschen hen eenige verhouding bestaat, doch het Hof niet kan inzien, dat dit feit op zich zelf de handelingen van appellant tot onrechtmatige daden kan stempelen, waar het toch voor het publiek onverschillig moet zijn van wien appellant zijn auto's betrekt en alleen de betrouwbaarheid van appellant en van de auto's voor het publiek van belang zijn".

Het Hof ziet dus niets laakbaars in de handelingen van den derde en ook naar mijn meening is daarin niets onbehoorlijks gelegen, omdat de autohandelaar het niet deed voorkomen alsof hij iets mocht doen, wat een ander niet mocht doen. Had hij dat wel gedaan, dan zou hij zich op onbehoorlijke wijze een voorsprong hebben verzekerd in den concurrentiestrijd. Anders zou het b.v. zijn wanneer de derde zijn leverancier in Amerika had overgehaald hem de auto's te leveren, hoewel deze contractueel gebonden was aan den fabrikant om niet naar Nederland te exporteeren.

Anders zou het ook geweest zijn, wanneer de derde zich uitdrukkelijk tegenover het publiek had aangediend als alleenvertegenwoordiger. Het mogen gebruiken van deze laatste titel geeft nu eenmaal voordeel, omdat het publiek van dien vertegen-

Sluiten