Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de belangen van den werkgever rechtstreeks beschermden, dan zou art. 1407 B.W. en de relativiteitstheorie niet in het geding behoeven te komen. Art. 1407 geeft immers aan, wie de vordering in mogen stellen bij „moedwillige of onvoorzichtige kwetsing of verminking". In ons geval gaat het echter om schending van belangen uit een overeenkomst. En al mag men die belangen al schenden, wanneer men behoorlijke middelen gebruikt, dat mag men toch zeker niet, wanneer men tot die schending alleen is kunnen komen door eerst iemand anders te overrijden!

De norm, welke in dit geval was overtreden, zouden wij als volgt kunnen formuleeren: „Gij zult niet door lichamelijke kwetsing van een arbeider de voorwaarde vervullen voor de inwerkingtreding der verplichting van den werkgever om de herstelkosten van den arbeider te betalen".

Wij komen thans tot het laatste geval in deze rubriek, n.1. de actie uit art. 1401 B.W. van den verzekeraar tegen dengene die de ramp heeft veroorzaakt, welke actie veel bestrijding heeft gevonden.

Deze strijd is nog eens heftig gevoerd naar aanleiding van een arrest van den H.R. van 24 Januari 1930 *). Onder dit arrest heeft Meijers in een noot aangegeven verschillende gronden, waarop de actie van den verzekeraar in den loop van den tijd is bestreden. Tevens geeft hij daarbij een literatuur opgave.

Op deze punten van principieele bestrijding zal ik hier nader ingaan, daar deze eerst moeten worden weerlegd, alvorens ik tot mijn eigenlijke doel kom n.1. het onderzoek in welke omstandigheden de actie mogelijk is.

De bestrijders der actie beweren in de eerste plaats dat uit art. 284 K zou volgen, dat de verzekeraar geen directe actie heeft. Dit standpunt is, zooals Meijers in zijn aangehaalde noot terecht zegt, onjuist, daar uit de bewoordingen van dat artikel geenszins volgt, dat de wetgever door het mogelijk maken van de daar genoemde wijze van verhaal, alle andere acties heeft

willen uitsluiten.

Een ernstiger bestrijding is gelegen in de bewering, dat de verzekeraar geen schade lijdt. Dit is het standpunt van den aavocaat-generaal in zijn conclusie bij bovengenoemd arrest, welk arrest bekend staat onder den naam „Brandstichtingsarrest .

ï) N.J. 1930, bl. 299; W. 12091.

Sluiten