Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„dat de omstandigheid, dat iemand bij overeenkomst de verplichting op zich neemt om, indien zekere gebeurtenis plaats vindt, aan zijn wederpartij een geldsbedrag te betalen, aan derden niet de plicht oplegt om zich daarom te onthouden van handelingen, die bedoelde gebeurtenis moeten of kunnen veroorzaken, ook niet indien die derden met het bestaan der overeenkomst bekend zijn of dat bestaan moeten bevroeden;

dat dit geldt niet alleen voor geoorloofde handelingen, maar ook voor ongeoorloofde handelingen en dan medebrengt, dat een overeenkomst als bovenbedoeld de rechtsgevolgen van een ongeoorloofde handeling voor den dader niet vermag te verzwaren, in dier voege, dat hij nu ingevolge art. 1401 B.W. ook gehouden is de schade te vergoeden, welke hij, die een verplichting in bovenvermelden zin op zich heeft genomen, door het intreden der gebeurtenis lijdt;

dat dan ook de overeenkomst, waarbij de maatschappij de verplichting aanvaardde om de schade te vergoeden, die door brand aan het huis van V. mocht opkomen, voor diens echtgenoote geen plicht van zedelijken of wettelijken aard schiep om ter wille van het belang, dat de maatschappij door de overeenkomst daarbij had, na te laten om het huis in brand te steken;

dat de echtgenoote van V. door die handeling te verrichten regelen van zedelijken en wettelijken aard heeft overschreden, maar regelen, die strekken tot bescherming van andere belangen dan dat waarin de verzekeraar is geschaad;

dat daarom deze aan de overtreding van die regelen geen vordering kan ontleenen tot vergoeding van de schade, die hij lijdt in het belang om geen verzekeringssom te behoeven uit te keeren;

dat zoodanige vordering hem zou toekomen, indien de brand ware gesticht met de bedoeling om hem te benadeelen, omdat dan inbreuk ware gemaakt op den — ook hem beschermenden — zedelijken plicht, om niet zonder redelijken grond aan een ander opzettelijk nadeel toe te brengen;

dat hier echter niet is gebleken met welke bedoeling de echtgenoote van V. den brand heeft gesticht, wat tevens de mogelijkheid uitsluit om hier een schadevordering wegens onrechtmatige daad te gronden op overtreding van art. 328 Strafr., welk voorschrift ongetwijfeld strekt tot bescherming van het belang van den verzekeraar";

Ik meen deze overwegingen aan een nadere beschouwing te moeten onderwerpen, daar de gedachtengang niet overal glashelder is.

De eerste, hierboven aangehaalde, alinea komt hierop neer, dat de Hooge Raad zegt, dat het geschonden belang van den verzekeraar niet op dezelfde wijze wordt beschermd als een absoluut recht, waarbij iedere inbreuk onrechtmatig is. Wanneer dit belang van den verzekeraar wordt geschonden, is de handeling niet reeds daarom onrechtmatig. De H.R. zegt in de tweede alinea,

Sluiten