Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de dader zich ook niet van ongeoorloofde handelingen behoeft te onthouden terwille van het belang van den verzekeraar. Hier duikt reeds de relativiteitsleer van v. Gelein Vitringa op, welke de onrechtmatige daad binnen de perken moet houden. Zonder deze leer zou er geen reden zijn, waarom vermogensschade, tengevolge van deze ongeoorloofde handeling geleden, niet vergoed zou moeten worden.

De derde alinea loopt m.i. parallel met de eerste. De H.R. zegt, dat de overeenkomst, hetgeen hier wil zeggen, het feit van het bestaan der overeenkomst, geen norm schiep, welke verbiedt om het huis in brand te steken. Evenals in de eerste alinea gezegd werd, dat het enkele inbreuk maken op het belang van den verzekeraar niet onrechtmatig is, zoo wordt hier nog eens gezegd, dat er geen norm is, welke verplicht om ter wille van den verzekeraar het huis niet in brand te steken. Indien dus het in brand steken van een huis overigens niet ongeoorloofd was, zou die handeling niet ongeoorloofd worden, omdat de verzekeraar er schade door lijdt. Men zou geneigd zijn hieruit te concludeeren, dat, omdat het brandstichten overigens niet geoorloofd is, ook de verzekeraar schade lijdt, welke hem vergoed moet worden. Deze conclusie doet de vierde alinea echter met duidelijke woorden te niet. De brandstichtster heeft wel regelen van zedelijken en wettelijken aard overtreden (niet nader geformuleerd) doch die regels strekten niet ter bescherming van de belangen van den verzekeraar.

Uit deze overwegingen volgt in ieder geval reeds wel, dat de Hooge Raad zoekt naar normen, welke het belang van den verzekeraar rechtstreeks beschermen, doch zonder succes tot nu toe, immers de enkele inbreuk op het belang van den verzekeraar is niet onrechtmatig. De norm, welke de brandstichtster wel heeft overtreden, strekt niet in het belang van den verzekeraar en kan hem niet helpen.

De H.R. toont zich dus hier wederom aanhanger van de relativiteitsleer van van Gelein Vitringa. Deze leer heeft vele bestrijders gevonden en ik meen mij onder hen te moeten scharen J). Het zou mij te ver voeren, om hier op deze questie

i) Vergelijk Mr. P. H. Smits. „Iets over de vraag der relativiteit van de onrechtmatigheid bij onrechtmatige daad in verband met de door den Hoogen Raad onderscheiden onrechtmatigheidsvormen". W.P.N.R. nos. 3586 e.v. en de daar aangehaalde literatuur.

Sluiten