Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook contractueele belangen kunnen vermogensbelangen zijn en vallen dan onder de bescherming van art. 1401.

Zooals gezegd, hebben de verkeersopvattingen vele normen in het leven geroepen ter bescherming van economische belangen in den concurrentiestrijd. In veel mindere mate zijn er normen gevormd in het maatschappelijk verkeer buiten het gebied van den concurrentiestrijd, ter bescherming van economische belangen, welke geen absolute rechten zijn. Toch zijn hier evengoed normen en zelfs strengere dan bij oneerlijke concurrentie te verwachten, daar men in het bedrijfsleven nog eenigszins het motief heeft, dat de handelingen worden gepleegd in den strijd om het bestaan, hetgeen in het gebied daarbuiten meestal in veel mindere mate het geval zal zijn.

Eigenaardig is, dat de jurisprudentie er slechts zoo aarzelend toe komt het bestaan van deze laatste soort normen aan te nemen. Indien schade wordt geleden buiten den concurrentiestrijd in een niet als absoluut recht beschermd economisch belang, zagen wij, dat de rechtspraak vaak geen rechtstreeksche bescherming van dat belang wil aannemen.

In de gevallen van uitlokking van wanpraestatie en gebruik maken van wanpraestatie betrof het meest gevallen van oneerlijke concurrentie, waaruit wellicht afgeleid kan worden, dat in het maatschappelijk leven buiten den concurrentiestrijd nog weinig aandacht wordt geschonken aan de bescherming van contractueele belangen. Toch is er geen reden aan te nemen, dat uitlokken van wanpraestatie, anders dan in geval van oneerlijke concurrentie, wel geoorloofd zou zijn.

Wij zagen in het bovenstaande, dat contractueele belangen in en buiten den concurrentiestrijd worden beschermd door normen van betamelijkheid, welke door de verkeersopvattingen zijn gevormd en dat een dergelijk belang een goed is, zooals bedoeld wordt in de formule van den Hoogen Raad. Wij moeten thans nader bezien, hoe wij kunnen komen tot opstelling van een norm.

In de eerste hoofdstukken werd er reeds op gewezen, dat een derde in het algemeen geen kennis zal hebben van tusschen anderen gesloten overeenkomsten, zoodat ook niet van hem ver wacht kan worden, dat hij daarmede rekening houdt. In de norm zal dat zijn uitdrukking vinden, doordat in de bewoordingen ligt opgesloten, of uitdrukkelijk wordt vermeld, dat de dader aansprakelijk gesteld wordt indien hij het contract kende, b.v. in

Sluiten