Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de norm: „Gij zult niet iemand overhalen door het doen van beloften om, in strijd met eerder aangegane verplichtingen, aan U een huis te verkoopen". Voor een derde is een contract een feit evenals voor een winkelier het bedrijf van een concurrent een feit is. Met beide moet rekening gehouden worden.

De meeste, in het tweede hoofdstuk besproken schrijvers waren van oordeel, dat bekendheid met het geschonden contract vereischt is voor de aansprakelijkheid van den derde, behoudens uitzonderingen door enkele auteurs gemaakt.

Ik neem ook aan, dat in beginsel stellig bekendheid met de overeenkomst noodig is, maar hierop zijn uitzonderingen. Vaak is voldoende, dat de derde het bestaan der overeenkomst had kunnen vermoeden.

Het is ook niet waarschijnlijk, dat de wetgever van art. 1592 B-W. op het standpunt zou hebben gestaan, dat steeds kennis van het contract noodig is, immers door te bepalen, dat de huurder den verhuurder niet wegens feitelijkheden door derden gepleegd, mag aanspreken, nam de wetgever aan, dat de huurder, behoudens uitzonderingsgevallen den dader rechtstreeks kon aanspreken. Deze laatste zal echter niet steeds bekend geweest zijn met de huur, hoewel hij toch aansprakelijk gesteld moet worden. Ik meen, dat dit hieraan ligt, dat het huurcontract een zooveel voorkomend contract is, dat iedereen rekening moet houden met de mogelijkheid, dat een huis is verhuurd. Ook voor andere contracten zal zoo te werk gegaan moeten worden. Bij octrooilicenties zal m.i. de eisch gesteld moeten worden, dat de dader inderdaad bekend was met de licentie, daar deze contracten veel minder gewoon zijn dan huurcontracten.

Er is nog een andere reden, waarom bij huurcontracten wel en bij licentiecontracten niet zonder meer aansprakelijkheid mag aangenomen worden. Zooals Wertheim in zijn proefschrift heeft uiteengezet1), wordt den dader betaling van schadevergoeding o.a. opgelegd uit het oogpunt van preventie. Wanneer men het vooruitzicht heeft de schade te moeten vergoeden, welke men veroorzaakt, dan zal men beter oppassen dan zonder dat vooruitzicht. Deze preventieve werking bestaat echter niet, in geval de dader de schade geenszins had kunnen voorzien. Indien de

i) W. F. Wertheim, „Aansprakelijkheid voor schade buiten overeenkomst" bl. 20-42 en 58-83.

7

Sluiten