Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sproken gevallen betrekking hadden op oneerlijke concurrentie. Hierbij moet op één verschijnsel gewezen worden, n.1. het feit, dat het profiteeren van contractbreuk door het verkoopen van merkartikelen onder den prijs oneerlijke mededinging is tegenover zijn concurrenten, terwijl gewoonlijk niet de concurrenten, doch de fabrikanten of importeurs een vordering uit onrechtmatige daad instellen. Zie b.v. het arrest van den Hoogen Raad inzake Kerkhoff tegen parfumerie Florence, dat in het derde hoofdstuk werd besproken. Kerkhoff was importeur van merkartikelen en stelde de vordering in tegen Florence, die onder den prijs verkocht en dus niet tegen één van haar concurrenten.

Het tweede cassatiemiddel, dat Florence tegen het arrest van het Hof had opgeworpen luidde als volgt „dat Florence dan alleen een onrechtmatige daad heeft gepleegd indien Florence handelt of nalaat aldus, dat deze handeling of dit nalaten inbreuk maakt op Kerkhoff's recht of in strijd is met Florence's rechtsplicht of indruischt hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van Kerkhoff's persoon of goed, doch bij de beoordeeling niet — althans niet gelijk het Hof doet uitsluitend — mag aangelegd worden de maatstaf, die in zaken van concurrentie — slechts — tusschen de kooplieden geldt".

De Hooge Raad antwoordt hierop:

„dat het middel onder II feitelijken grondslag mist; dat immers het Hof niet een andere maatstaf aan de gedragingen van Florence heeft aangelegd, dan die, welke in het maatschappelijk verkeer bestaat doch terecht, waar het hier betreft een geval van concurrentie, zich afspelend in de koopmanswereld, beslissend heeft geacht, wat daarbij tusschen kooplieden betaamt".

Het is m.i. niet volkomen duidelijk, wat de H.R. bedoelt met „een geval van concurrentie". Wordt er mede bedoeld concurrentie van Florence tegen Kerkhoff? Dan is dat woord toch wel in oneigenlijken zin gebruikt, daar Florence het er niet om te doen is clientèle te krijgen ten koste van Kerkhoff. Waarschijnlijk is niet bedoeld, dat deze oneerlijke concurrentie van Florence tegenover de andere detailhandelaren ook onbehoorlijk was tegenover Kerkhoff, daar te voren geenszins vaststond dat die concurrentie oneerlijk was.

Naar mijn meening moet er de nadruk op worden gelegd,

Sluiten