Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. J. DE HAAN, „Eenige beschouwingen over het leerstuk der onrecht¬

matige daad", R.M. 1938, bl. 281.

MARIUS G. LEVENBACH, „Onrechtmatige daad en werkstaking". (1935).

HENRI LALOU: „La responsabilité civile".

G. E. LANGEMEIJER, „onrechtmatige daad en concurrentiestrlid" N.J.B. 1934, bl. 617. '

D. H. LEDEBOER, „Het recht van den verzekeraar tegen derden" diss. Leiden 1927.

H. en L. MAZEAUD: „Traité théorique et pratique de la responsabilité

civile" (1931).

Prof. E. M. MEIJERS, noot onder arrest v.d. H.R. d.d. 24 Jan 1930 N.J. 1930, bl. 299.

Prof. E. M. MEIJERS, noot onder arrest van den Hoogen Raad d.d. 11 Nov. 1937, N.J. 1937, no. 1096.

Ch. Ph. MERCIER, „Faut-il admettre 1' existence du jus ad rem en droit civil Suisse?" (1929).

H. MULDERIJE, „Contractpartijen en derden", N.J.B. 1933, bl. 453 e.v.

Prof. W. L. P. A. MOLENGRAAFF, „De oneerlijke concurrentie voor het forum van den Nederlandschen Rechter", R.M. 1887, bl. 373.

M. NIEMEIJER, „Beschouwingen over herverzekering in het algemeen en levensherverzekering in het bijzonder", diss. Leiden, (1926).

H. PFEFFER, „Grondbegrippen van Nederlandsch mededingingsrecht" (1938).

H. RIPERT, „La règle morale dans les obligations civiles".

P. H. SMITS, „Iets over de vraag der relativiteit van de onrechtmatigheid bij onrechtmatige daad in verband met de door den Hoogen Raad onderscheiden onrechtmatigheidsvormen", W.P.NR 3586 3587, 3589—3591.

Sluiten