Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°. De grondbezitter is niet in staat geld te lenen met zijn grond als waarborg. Landbouwbedrijven, waarbij men veel geld nodig heeft, omdat er veel kapitaalgoederen voor nodig zijn, zoals de tabakscultuur, kunnen dus bezwaarlijk op communale gronden worden uitgeoefend. Bij communaal bezit is dus de landbouwer wel gedwongen gewassen te telen, waarvoor weinig kapitaalgoederen nodig zijn; hij is dus gebonden aan de rijstcultuur l).

4°. de grondbezitter is bij communaal bezit, vooral bij communaal bezit met periodieke wisseling, dikwijls te veel afhankelijk van het desabestuur, wat allerlei ongewenste toestanden tengevolge kan hebben.

In verband met de grote nadelen, die aan het communaal bezit verbonden zijn, is volgens de ontginningsordonnantie van 1925 bij ontginning alleen vestiging van erfelijk individueel bezitsrecht mogelijk. Verder heeft een wettelijke regeling van 1885 de conversie van communaal bezitsrecht in erfelijk individueel bezitsrecht mogelijk gemaakt, doch van deze regeling is door de bevolking niet veel gebruik gemaakt. Soms ontstaat erfelijk individueel bezitsrecht door afslijting van communaal bezitsrecht, bijvoorbeeld: communaal bezit met 10 jaarlijkse wisseling verandert in bezit met vaste aandelen en na verloop van tijd wordt het adat, de erfgenamen van de bezitters van vaste aandelen als opvolgers in dat grondbezit te beschouwen.

Voor een goed begrip van de organisatie van het landbouw- Rechthebbenbedrijf moet men verder onderscheid maken tussen personen, dcn en

• bewerkers*

die rechten op de grond uitoefenen, de ,,rechthebbenden"

(eigenaar, erfelijk individueel bezitter of aandeelhouder in communaal bezit) en degenen die het landbouwbedrijf op de grond uitoefenen, de ,.bewerkers" (Jav.: garap). Het

*) Over het familiebezit van gronden in de Minangkabause landen schrijft M. Joustra (,,Minangkabau'' pag. 138): De aard van het familiebezit is een ernstige belemmering voor het aangaan van verbintenissen, die buiten de transacties inzake grond liggen. Voor bloei van handel en aanverwante bestaansmiddelen zou nodig zijn een veel vrijer beschikking van het individu over de voorwerpen van bezit. Hoe weldadig de adat-poesaka ook is in zoverre ze pauperisme voorkomt, voor de algemene economische vooruitgang is die adat een rem.

stikker. Economie. c

Sluiten