Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en waarbij we ons eenvoudigheidshalve zullen beperken tot koop en verkoop (huur en verhuur, eveneens ruilhandelingen, zoals wij gezien hebben, zullen wij dus buiten beschouwing laten).

Wanneer een zeker aantal mensen op hetzelfde ogenblik bepaalde goederen wensen te kopen en tevens een andere groep mensen (de producenten) die goederen wensen te verkopen, en kopers en verkopers zijn bereid met elkaar „zaken te doen", dan zegt men, dat er voor die goederen een markt aanwezig is. De personen, die wel zouden willen kopen maar geen geld hebben en ook geen crediet kunnen krijgen, staan dus buiten de markt. Tegenover de mensen, die willen kopen staan dus de producenten, die willen verkopen of, zoals men zegt: tegenover de vraag staat het aanbod.

Veronderstellen wij nu, dat kopers en verkopers op een bepaalde plaats bijeenkomen en dat alle kopers één exemplaar van hetzelfde goed willen kopen. Elke koper zal dan misschien niet dezelfde vraagprijs in zijn hoofd hebben, waarboven hij niet zal willen gaan en elke verkoper zal wellicht niet dezelfde kostprijs besteed hebben, waarbeneden hij niet wil verkopen *).

Toch zal er op zo'n markt tenslotte één prijs zijn, waarvoor de goederen verkocht worden. Die prijs, de evenwichtsprijs (equatieprijs) zal zijn de prijs, waarop vraag en aanbod met elkaar in evenwicht zullen zijn.

Veronderstellen wij, dat de volgende personen op de markt samenkomen en dat zij allen slechts één exemplaar willen verkopen of kopen, terwijl de verkopers elk een verschillende kostprijs hebben gehad en de kopers elk een verschillend bedrag hoogstens willen besteden.

*) Het zal bij uitzondering kunnen gebeuren, dat iemand beneden kostprijs verkoopt; wanneer iemand steeds beneden kostprijs verkoopt, zal hij op den duur de productie moeten staken en dus van het toneel moeten verdwijnen.

Verkopers

Kopers

A. kostprijs ƒ 50,—-

B. „ „ 45—

C. „ „ 43 —

D. „ „ 41 —

E. „ „ 40,—

F. „ „ 38 —

G. „ „ 34-

H. vraagprijs ƒ 35,—

I- „ 37 —

J* 11 ii 39>

K. „ „ 42,—

L. 11 11 461

M. „ „ 49 —

N. „ „ 51.—

Sluiten