Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gehalte van het standaard- en tekengeld is thans als volgt:

gehalte gewicht in grammen

ƒ 10,— goud 900/1000 6,72

- 2,50 zilver 720/1000 25

- 1,— ,, 720/1000 10

- 0,50 „ 720/1000 5

In een gouden munt bevindt zich dus 9/10 maal 6,72 gram zuiver goud = 6,048 gram. Het gehalte van het zilvergeld was vroeger veel hoger nl. 945/1000. In November 1919 heeft men dit gehalte verlaagd omdat in 1919 de zilverprijs bedenkelijk begon te stijgen, zodat men bang was, dat alle zilveren munten zouden worden gesmolten of naar China zouden worden uitgevoerd; er kwam reeds gebrek aan klein geld, zodat men soms het arbeidsloon met bankbiljetten aan een groep arbeiders tegelijk moest uitbetalen, wat een zeer ongewenste toestand was. Men heeft toen twee maatregelen genomen; men heeft muntbiljetten van ƒ 2,50 en ƒ 1,— ingevoerd (aanvankelijk ook van 50 ct.) en tevens heeft men het gehalte van de nieuw aan te maken tekenmunten verlaagd tot 720/1000. Kort daarop is de zilverprijs weer gedaald, zodat de oude zilveren munten nog voor een deel in het verkeer zijn gebleven. *)

De javasche De Circulatiebank in Indië, de Javasche Bank, opgericht

in 1828, is een instelling, die het privilege (octrooi) heeft om

papiergeld-aan-toonder in omloop te brengen. Dit papiergeld, de bankbiljetten, draagt als opschrift een verklaring, dat de Javasche Bank een zeker bedrag schuldig is aan toonder. Het

Bank.

x) De Muntbiljetten werden in omloop gebracht in 1919, zoals boven reeds vermeld. Er ontstond toen een belangrijke stijging van de zilverprijs, zodat men vreesde, dat het zilvergeld geheel uit de circulatie zou verdwijnen. De regering heeft toen als noodmaatregel dit papiergeld in omloop gebracht. Het opschrift luidde: „Muntbiljet van Nederlandsch-Indië. Inwisselbaar in zilver na aankondiging. Dit biljet wordt in betaling aangenomen bij alle landskantoren en bij de kantoren van de Javasche Bank." Bij de uitgifte werd bepaald dat ze wettig betaalmiddel zouden zijn tot elk bedrag. Het bleek, dat het publiek geenszins afkerig was van een dergelijk ruilmiddel; velen gaven zelfs de voorkeur aan „zilverbons" van ƒ2.50 boven een zilveren rijksdaalder. Toen de zilverprijs weer gedaald was zijn de muntbiljetten nog enige jaren in omloop gebleven.

Sluiten