Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV

VERDELING VAN HET MAATSCHAPPELIJK

INKOMEN

AFDELING 1

DE VERDELING VAN HET MAATSCHAPPELIJK INKOMEN IN HET ALGEMEEN

We hebben vroeger gezegd, dat voor de productie verschillende goederen samenwerken en dat men deze goederen kan verdelen in drie groepen n.1. natuur, arbeidskracht en kapitaalgoederen. In de westerse landen, waar de ruilwaarde steeds in geld wordt uitgedrukt, waar in hoofdzaak geproduceerd wordt voor behoeften van anderen en dus de gehele productie gebaseerd is op ruilverkeer en waar tenslotte de productie geschiedt, als regel, onder leiding van de ondernemers met het doel, „winst" te behalen, kan men zich de volgende vraag stellen:

de ondernemer heeft voor de productie de beschikkingsmacht moeten uitoefenen over de productiegoederen: natuur, arbeidskracht en kapitaalgoederen, anders had hij geen gebruik kunnen maken van de diensten van die goederen. De opbrengst van zijn productie heeft hij verkocht. Hoeveel moet hij nu van het geld, dat hij door die verkoop ontvangen heeft, uitkeren aan den grondeigenaar voor het gebruik van de grond, aan den arbeider voor zijn arbeid en aan den geldschieter, die hem geld geleend heeft om kapitaalgoederen te kunnen kopen en hoeveel mag hij voor zich houden?

Bij deze vraag wordt dan, zoals uit de vraag zelf blijkt, verondersteld, dat de ondernemer zelf alleen maar de leiding van het bedrijf uitoefent, zelf buiten die leiding geen arbeid verricht, overigens niet produceert met eigen grond, geen eigen kapitaalgoederen heeft, maar geld moet lenen om kapitaalgoederen te kunnen kopen. In werkelijkheid is de ondernemer dikwijls zelf eigenaar van de grond, arbeidt zelf mee, enz.

Sluiten