Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regel een jaarlijkse vergoeding betaald en die vergoeding kan men dus als kapitaalrente beschouwen. De rente, die dan voor zo'n geldlening moet worden betaald, hangt af van de Rente en rentestand (interest). Wanneer de geldlening ƒ 10.000,— gr0°t is en de rentestand 5 per 100 (5 %) dan moet de ondernemer ƒ 500,— rente per jaar betalen. Is de geldlening ƒ 12.000 en de interest 4 % per jaar dan bedraagt de rente ƒ 480,— per jaar.

Door weike Waardoor wordt nu de rentestand bepaald? De jaarlijkse heden ^wxM-dt vergoeding, waarvoor de geldleningen worden aangeboden en de rentestand gevraagd, wordt door verschillende omstandigheden beinvloed, beïnvloed. jg ggj-g^g plaats door het economisch perspectief.

invloed van Verondersteld, dat iemand een bepaald goed wil kopen, het m°r°h c'at jaarüjks een zuivere opbrengst geeft van ƒ 800,— dan perspectief, koopt hij dus als het ware een jaarlijks inkomen van ƒ 800,—.

Hoeveel zal hij daarvoor nu op 1 Januari 1932 willen betalen?

Hij kan zich op 1 Januari 1932 afvragen: hoe hoog waardeer ik thans een bedrag van ƒ 800,—, dat ik krijg op 1 Januari 1933 en een bedrag, dat ik krijg op 1 Januari 1934, 1 Januari 1935 enz. De opbrengst, die een stuk grond op x Januari 2132 zal geven, zal hij öp 1 Januari 1932 waarderen gelijk nul, om de eenvoudige reden, dat hij dan niet meer in leven zal zijn en de mensen nu éénmaal wel voor hun kinderen zorgen en desnoods voor hun kleinkinderen maar niemand zich veel zorgen zal maken over het welzijn van zijn achterkleinkinderen en verdere nakomelingen; ,,die moeten maar door hun eigen ouders geholpen worden." Het economisch perspectief van de mensen reikt dus in geen geval tot bijvoorbeeld 150 a 200 jaar.

Alles wat bijvoorbeeld over 70 a 100 jaar zal gebeuren, laat ook de meeste mensen vrij onverschillig. We kunnen ons bijvoorbeeld voorstellen, dat iemand op 1 Januari 1932 een bedrag van ƒ 800,— dat zijn erfgenamen op x Januari 2000 of 1980 zullen ontvangen, waardeert op ƒ 1 —.

Het is echter mogelijk, dat hij een bedrag van ƒ 800,—, dat hij over 20 a 30 jaar, dus omstreeks 1957, ontvangen zal, in 1932 ook op ƒ 800,— waardeert; de kans bestaat immers, dat hij in die tijd niet meer zelf zijn kost zal kunnen verdienen, zodat hij in 1932 reeds weet, dat hij die ƒ 800,— omstreeks 1957 best zal kunnen gebruiken. Het is evenwel ook mogelijk dat hij in 1932 niet in staat is zozeer met

Sluiten