Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn eigen toekomst rekening te houden; dat hangt geheel van zijn ontwikkeling af. De koopprijs, die iemand op i Januari 1932 wil betalen voor een jaarlijks inkomen van ƒ 800,-—■ kan men dus berekenen door samen te tellen de waarden, die hij op die datum hecht aan een bedrag van ƒ 800,—■ te ontvangen over 1 jaar, ƒ 800,— over 2 jaar, 3 jaar, 4 jaar enz.

Wanneer dit totaal bedrag ƒ 20.000,— is, dan is dus de koopsom 25 maal zo groot als het jaarlijks bedrag van ƒ 800,—

We hebben hierboven gesproken over het zuivere voordeel, dat een bepaald goed jaarlijks oplevert. Men noemt dit ook wel het netto voordeel of het inkomen; men moet nl. onderscheiden het bruto en het netto voordeel dat door de goederen wordt opgeleverd. Van een huis, dat verhuurd wordt voor ƒ 1000,— per jaar kan men zeggen, dat het een bruto voordeel oplevert van ƒ 1000,—. Men moet verder ook rekening houden met kosten voor onderhoud en waardevermindering. Verondersteld, dat de onderhoudskosten en waardevermindering bedragen ƒ 550,— per jaar, dan is dus het netto voordeel ƒ 450,— per jaar. Volgens het bovengenoemde voorbeeld zal dan de koopprijs zijn 25 X ƒ 450,— is dus ongeveer ƒ 11250,—.

Hoe verder het economisch perspectief reikt, des te groter zal de koopprijs van een goed zijn in vergelijking met het netto voordeel, het inkomen, dat men jaarlijks van dat goed trekt. Iemand met een gering economisch perspectief zal voor bovengenoemd huis misschien slechts 10 X ƒ 450,—- of ƒ 4500,— willen betalen.

Het getal 25 dat in genoemd voorbeeld de verhouding tussen koopprijs en jaarlijks inkomen aanduidt, is evenwel niet willekeurig gekozen.

Men treft ongeveer deze verhouding in alle westerse landen, waar met veel kapitaalgoederen geproduceerd wordt en waar het geldverkeer overal is doorgedrongen, zeer algemeen aan.

De mensen hebben in die landen blijkbaar gemiddeld een zodanig economisch perspectief, dat steeds de koopprijs en het jaarlijks inkomen ongeveer een verhouding aanwijzen als 25 : 1. *)

*) In de bloeitijd van Griekenland trof men een rentestand van 12 : 18 % aan. In het Romeinse rijk was de normale rente 50 jaar v. Chr.: 6 %, in de tijd van keizer Augustus: 4 %. In Engeland bedroeg de wettelijke rente omstreeks 1650: 6 %. In

stikker, Economie. 10

Sluiten