Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door het uitgebreide geldverkeer wordt deze verhouding steeds genivelleerd. Verondersteld, dat in Zuid-Frankrijk het economisch perspectief een verhouding tussen koopprijs en inkomen van 15: 1 tengevolge heeft, terwijl in NoordFrankrijk de verhouding 25 : 1 is. Er zal dan geld „stromen" van Noord- naar Zuid-Frankrijk, omdat de mensen, die in het Noorden geld gespaard hebben, een hoog inkomen van hun geld kunnen trekken door gebruik te maken van de lage koopprijzen in het Zuiden. In hun eigen streek zouden zij van hun gespaarde geld goederen kunnen kopen en daarvan een inkomen van 4 % maken. In Zuid-Frankrijk maken ze 7 % van hun geld; ze zullen dus goederen in het Zuiden gaan kopen net zolang tot de koopprijs van de goederen daar gestegen is tot ongeveer hetzelfde peil als in NoordFrankrijk.

De rente die men betaalt in Westerse landen voor een lening, benodigd voor het kopen van kapitaalgoederen, de kapitaalrente, zal daar dus ook minstens ongeveer 4 % moeten zijn. Iemand, die geld gespaard heeft, zal bijvoorbeeld voor de keus staan of hij zijn geld zal uitlenen aan een ondernemer, die daarvoor kapitaalgoederen wil kopen, dan wel of hij voor het gespaarde geld een huis zal kopen om dit huis te verhuren.

Wanneer hij door de aankoop van het huis een inkomen van 4 % van zijn geld zal krijgen, zal hij dus alleen dan bereid zijn het geld aan den ondernemer te lenen, indien deze hem minstens 4 % rente wil betalen.

We zullen dit minimum percentage, dat samenhangt met het economisch perspectief van de mensen noemen: de zuivere rente.

Het economisch perspectief van de mensen oefent dus deze invloed op de kapitaalrente uit, dat de kapitaalrente minstens zo hoog moet zijn als de zuivere rente, die voortspruit uit het economisch perspectief. De zuivere rente is in de westerse landen steeds ongeveer 3 a 4 a 5 %.

de 18e eeuw was de rentestand in Nederland %; na 1790 stijgt de rente tot 5 % soms tot 6 a 9 %, na 1820 daalt de rentestand weer.

Zie Schmoller, Grundrisz der Allgemeinen Volkswirtschaftslehre II, pag. 228. De verhouding van ongeveer 25 : 1 berust wellicht op de menselijke levensduur. Zie Cassel, Theoretische Socialökonomie, pag. 232.

Sluiten