Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. Percentage der toeneming van de

^>eri° e geheele bevolking Joden

van 1830 tot 1840 9,45 12,60

„ 1840 „ 1849 6,86 12,21

„ 1849 „ 1859 8,25 8,88

„ 1859 „ 1869 8,17 6,60

„ 1869 „ 1879 12,10 20,13

„ 1879 „ 1889 12,43 19,13

„ 1889 „ 1899 13,14 6,85

„ 1899 „ 1909 14,77 2,32

„ 1909 „ 1920 17,19 8,29

„ 1920 „ 1930 15,59 — 2,87

Nadere beschouwing dezer cijfers doet zien, dat zoowel voor de geheele bevolking als voor de Joden de toenemingspercentages tot 1870 dalende waren. Na 1870 zijn de toenemingspercentages voor de geheele bevolking stijgende; voor de Joden na 1880, behoudens een enkele onderbreking, dalende. Na 1920 is het stijgingspercentage in een dalingspercentage verkeerd.

Een merkwaardige afwijking vertoonen de stijgingspercentages voor de jaren tusschen 1869 en 1889. De oorzaken dier plotselinge stijging zijn niet met zekerheid vast te stellen. Waarschijnlijk is zij het gevolg van een in die jaren plaats gevonden immigratie van buitenlandsche Joden. Tusschen 1870 en 1890 vonden in OostEuropa groote Jodenvervolgingen plaats, ten gevolge waarvan vele vervolgden ook naar ons land kwamen, met de bedoeling verder te trekken. Het overgroote deel dezer vervolgden trok inderdaad naar Engeland en vooral naar Amerika. Doch blijkbaar is toch ook een aantal in Nederland gebleven1). De juistheid van deze veronderstelling wordt grooter, wanneer men in het oog houdt, dat de onderbreking der daling van het toenemingspercentage niet gelegen kan zijn in natuurlijke oorzaken.

Stelt men het absolute cijfer der geheele Nederlandsche bevolking en daarnaast dat van het aantal Joden in Nederland van 1830 op

1) In Amsterdam telt men in het jaar 1883 het grootste aantal immigranten, vermeldt Leonie van Nierop in „De Bevolkingsbeweging der Nederlandsche stad", 1905, blz. 166.

Sluiten