Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100 en berekent men naar deze cijfers de uitkomsten van de volgende perioden, dan verkrijgt men onderstaande uitkomsten.

De bevolking als geheel beschouwd, is in de eeuw 1830—1930 dus toegenomen met rond 200 procent, de Joden met rond 140 procent.

In fig. I zijn beide cijferreeksen in beeld gebracht.

Nederlandsch-Israëlieten.

Uit de cijfers van tabel I blijkt, dat het aantal NederlandschIsraëlieten tot 1920 van periode tot periode in absoluten zin toenam. In 1930 maakt deze toeneming plaats voor een achteruitgang.

Behoudens één uitzondering, namelijk bij de volkstelling van 1869, neemt ook de relatieve beteekenis der Nederlandsch-Israëlieten tot 1889 geregeld toe. In de op dat jaar volgende perioden echter ging deze verhouding in sterke mate achteruit. Reeds in 1909 was het aandeel dezer groep op de geheele Nederlandsche bevolking lager dan het in 1849 was geweest. Deze daling ging in de laatste beide perioden nog verder.

Portugeesch-Israëlieten.

De cijfers betreffende de Portugeesch-Israëlieten (de kleinste kerkelijke gezindte welke de volkstelling afzonderlijk vermeldt), vertoonen niet zulk een geregelde toeneming van hun absolute aantal.

Geheele bevolking Joden

1830 100 100

1840 110 113

1849 117 126

1859 127 137

1869 137 147

1879 154 176

1889 173 210

1899 195 224

1909 224 229

1920 263 248

1930 304 241

Sluiten