Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarde der cijfers.

Bij de voorgaande cijfers en beschouwingen is uitgegaan van de veronderstelling, dat de gegevens der volkstellingen het definitieve antwoord geven op de vraag naar het aantal Joden in Nederland. Men mag aannemen, dat, behoudens weinig uitzonderingen, dit tot omstreeks 1900 ook wel het geval zal zijn geweest. Indien men het begrip Israëliet echter verder uitstrekt dan het behooren tot een der beide Israëlietische kerkgenootschappen, moet men deze cijfers onvolledig achten. De volkstelling stelt geen vragen omtrent godsdienst of religieus inzicht, doch omtrent het behooren tot een der bestaande kerkelijke gezindten of godsdienstige gemeenschappen. In den geweldigen groei van het aantal van hen die geacht wenschen te worden tot geen enkele kerkelijke gezindte te behooren, is ook bijgedragen door Joden. In welke mate dit het geval is, kan natuurlijk niet met nauwkeurigheid worden nagegaan. Dat, percentisch beschouwd, dit aantal niet overmatig groot kan zijn, zal nog blijken uit andere hoofdstukken.

In dit verband zij er nog op gewezen, dat het formulier van de volkstelling van 1920 voor het eerst een vraag bevatte, welke bij de volkstelling van 1930 is achterwege gebleven. Van de 8164 mannen en 6699 vrouwen, die op de vraag of zij door geboorte, doop, belijdenis of besnijdenis wel tot een kerkelijke gezindte behoorden, doch daartoe niet meer gerekend wenschten te worden, een bevestigend antwoord gaven, behoorden 388 Nederlandsch-Israëlietische mannen en 269 vrouwen, en 25 Portugeesch-Israëlietische mannen en 20 vrouwen, of, in procenten uitgedrukt, 0,7 procent van alle Israëlietische mannen; 0,5 procent van alle Israëlietische vrouwen; voor beide geslachten tezamen 0,6 procent. Deze personen zijn in de hierboven vermelde en verder te gebruiken cijfers niet begrepen.

Voor Amsterdam, waar men hoogere cijfers mocht verwachten, bedroegen zij voor de Nederlandsch-Israëlieten resp. 248 en 170; voor de Portugeesch-Israëlieten resp. 15 en 12. Voor het totaal der mannen bedraagt het percentage 0,8; voor de vrouwen 0,5. Voor beide geslachten tezamen 0,7 procent. Voor de niet-Joden bedroeg dit percentage 2,5.

Sluiten