Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheele bevolking en die van het Joodsche deel bestaan voor dat jaar ten aanzien van de drie zuidelijke provinciën. Terwijl in deze provinciën tezamen in 1830 ruim een kwart der bevolking woonde woonde er slechts zes procent van de Nederlandsche Joden.

Sinds 1879 valt in de cijfers omtrent de Joden maar één regelmaat te ontdekken, namelijk, dat, tot 1920, slechts van Noord- en Zuidholland de percentages steeds grooter worden, terwijl die van alle overige provinciën een achteruitgang vertoonden. In 1930 was het cijfer van Noordholland iets gedaald.

Tabellen II en III kunnen slechts een algemeen overzicht geven van de verspreiding der Joden over Nederland en over de ontwikkeling dier verspreiding. Om den quantitatieven grondslag dier ontwikkeling te leeren kennen, zijn nog andere cijfers noodig. Teneinde den groei, respectievelijk den achteruitgang te meten, is tabel IV samengesteld. In deze tabel, welke gebaseerd is op de cijfers van tabel II, is het aantal Joden, dat in elke provincie op 1 Januari 1830 woonde op 1Ö00 gesteld, terwijl hetzelfde is geschied met de cijfers omtrent het totaal aantal Joden in het Rijk op denzelfden datum.

De cijfers van tabel IV toonen aan, dat het aantal Joden in de verschillende provinciën allerminst gelijkmatig toe- of afgenomen is.

Tot 1860 steeg — zij het niet overal in dezelfde mate — in alle provinciën het aantal Joden. Slechts Zeeland maakt hierop een onbeteekenende uitzondering. Na 1860 vangt voor eenige provinciën reeds een periode van achteruitgang of stilstand aan. Dit was het geval met Friesland, Overijsel, Utrecht, Zeeland en Limburg. Voor de overige provinciën trad deze periode eerst later in, behalve voor Zuid-Holland, dat gedurende een eeuw een ononderbroken absolute en relatieve toeneming vertoont.

Vergelijken wij de ontwikkeling van het aantal Joden in het Rijk met die in de provinciën afzonderlijk, over de geheele periode 1830— 1930, dan blijkt ons het volgende:

1. De beide provinciën, waarin reeds in 1830 het aantal Joden het grootst was — Noord- en Zuid-Holland — zijn de eenige, die, behoudens één uitzondering in 1930, in deze periode zonder onderbreking zijn gegroeid. Bovendien is deze groei in beide provinciën

Sluiten