Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. Het aantal Joden per 10.000 inwoners van elke provincie en het Rijk sinds 1830.

jaren der volkstellingen.

Groningen.

Friesland.

Drente.

Overijsel.

Gelderland.

i

Utrecht.

NoordHolland.

ZuidHolland.

Zeeland.

NoordBrabant.

Limburg.

Het Rijk.

1830 169 76 184 125 89 112 583 158 33 42 49 178

1840 181 85 193 140 106 105 578 161 39 52 56 183

1849 200 82 236 150 113 101 583 180 44 47 61 192

1859 210 79 230' 159 113 99 569 184 40 47 62 193

1869 201 74 221 148 110 87 571 177 28 46 61 190

1879 216 67 196 143 106 77 636 176 26 46 56 204

1889 218 54 178 142 102 65 690 161 21 44 46 215

1899 202 45 154 135 91 57 640 152 20 38 39 204

1909 173 36 126 115 81 48 582 135 16 29 29 181

1920 131 27 94 87 73 47 556 130 11 21 20 168

1930 111 23 74 70 63 41 459 115 8 18 14 141

eerst sinds het begin van de twintigste eeuw het geval. Vóór dien was het verhoudingscij fer hooger dan in 1830.

Verspreiding over de groepen van gemeenten.

Een onderzoek omtrent de verspreiding der Joden over de gemeenten van Nederland, kan eerst aanvangen met het jaai 1849. Dit vindt hierin zijn oorzaak, dat vóór de volkstelling van dat jaar een groepeering der gemeenten naar het aantal inwoners niet v, erd gemaakt.

In de eerste plaats volgen in tabel VI de absolute cijfers omtrent de aantallen Joden, die op de tijdstippen der volkstellingen in de vier grootte-groepen van Nederlandsche gemeenten woonden.

In aansluiting aan deze tabel hebben wij tabel VII samengesteld, waarin behalve het aantal Joden ook het cijfer der geheele bevolking in elk der in de tabel vermelde jaren op 100 is gesteld. Deze tabel biedt dus de gelegenheid zoowel de veranderingen in de cijfers

Sluiten