Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI. Aantal Joden in de verschillende groepen van gemeenten op het tijdstip der volkstellingen.

Gemeenten met

Jaren

der volks- meer dan 20.000— 5.000— minder dan w„i o-i

tellingen 100.000 100.000 20.000 5.000 jk

inwoners

1849 32.732 7.778 11.239 6.877 58.626

1859 35.508 8.667 12.610 7.005 63.790

1869 39.619 8.792 12.641 6.951 68.003

1879 51.700 9.743 13.161 7.089 81.693

1889 67.338 10.334 12.925 6.727 97.324

1899 74.477 11.011 12.487 6.013 103.988

1909 78.388 12.639 11.411 3.964 106.402

1920 88.305 13.503 10.855 2.556 115.233

1930 90.525 11.107 8.469 1.816 111.917

omtrent de Joden afzonderlijk na te gaan als om deze te vergelijken met die der geheele bevolking.

Beschouwing van de cijfers van tabel VII leert, dat de wijzigingen in de verdeeling zoowel van de bevolking in haar geheel als van de Joden over de verschillende categorieën van gemeenten, beheerscht worden door eenzelfde tendenz, namelijk tot belangrijke concentratie der bevolking in de groote centra.

Bezien wij eerst de cijfers omtrent de geheele bevolking. Het blijkt dan, dat van alle groepen het aandeel der vier grootste gemeenten het sterkst gestegen is, namelijk van 14.20 procent in 1849 tot 27.24 procent in 1930. Ook van de tweede groep van gemeenten, de kleinere steden, steeg tot 1920 het aandeel eveneens voortdurend, doch in geringere mate, om in 1930 op dezelfde hoogte te blijven. Tegenover de stijging van het aandeel dezer groepen van gemeenten, staat de daling van het aandeel der beide andere, welke overigens allerminst voor beide in hetzelfde tempo plaatsvond. Wel is immers de derde groep, die der gemeenten met een bevolking van 5.000— 20.000 inwoners, ook achteruitgegaan, doch lang niet in dezelfde

Sluiten