Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mate als die der kleinste gemeenten, welke een achteruitgang vertoont van 36.80 procent in 1849 tot 21.23 procent in 1930.

De trek naar de grootere en grootste steden, welke in deze cijfers tot uiting komt, vinden wij in nog sterker mate terug bij die omtrent de Joden. Doch reeds bij het jaar van aanvang der vergelijking treft ons een groot verschil. Terwijl in 1849 toch van 10.000 personen der geheele bevolking er 1420 in de grootste steden woonden, woonden er in dat jaar van 10.000 Joden reeds 5583 in die gemeenten, dus meer dan de helft.

De duidelijk waarneembare tendenz in de migratie der Joden blijkt het best uit de cijfers omtrent de groep der grootste en omtrent die der kleinste gemeenten. Bij de grootste gemeenten zien wij een nu eens sterker, dan weder zwakker, doch in elk geval ononderbroken sfijging van haar aandeel in het totaal aantal Joden. Daarentegen daalt, in de laatste decennia zelfs in een snel tempo, doch eveneens ononderbroken, het aandeel van de gemeenten met minder dan 5.000 inwoners. Tusschen deze uitersten vindt de beweging der beide overige groepen plaats, welke vóór 1870 nog een enkele, zij het geringe, stijging, doch eveneens aan het einde der ontwikkeling een lager percentage dan aan het begin vertoont.

VIII. Aantal Joden in procenten van de geheele bevolking

in elke groep van gemeenten.

Groepen van gemeenten Percentage Joden

Gemeenten met:

500 en minder inwoners 0,01

501— 1000 „ 0,02

1001— 2000 „ 0,05

2001— 5000 „ 0,13

5001— 10000 „ 0,26

10001— 20000 „ 0,45

20001— 50000 „ 0,54

50001—100000 „ 0,78

meer dan 100000 „ 4,19

Sluiten