Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sinds een halve eeuw woont dus meer dan de helft van de Nederlandsche Joden in de hoofdstad. In 1930 woonde van de geheele bevolking 10 procent in Amsterdam, van de Nederlandsche Joden 59 procent.

Evenals bij de Joden voor het geheele Rijk, vindt ook voor Amsterdam de grootste toeneming plaats in de jaren tusschen 1870 en 1890. Terwijl in het Rijk het aantal Joden in de periode 1870—1879 toenam met 13.690 en in de periode 1881—1889 met 15.631, waren deze cijfers voor de Joden te Amsterdam in deze perioden resp. 10.366 en 14.161. Het overschot voor het Rijk zonder Amsterdam bedroeg dus slechts resp. 3324 en 1470 zielen.

Deze groote toeneming bewijst, dat de immigratie in deze jaren de overheerschende factor was. Wellicht werkten in deze jaren twee oorzaken tot dit resultaat samen: de reeds op bladzijde 18 geconstateerde waarschijnlijke buitenlandsche immigratie, waarvan, gelijk te verwachten viel, het grootste deel zich concentreerde op de hoofdstad en de in die jaren bestaande bloei in de diamantnijverheid, de z.g. „kaapsche tijd", ten gevolge waarvan de juist aangevangen sterker migratie zich in het bijzonder op Amsterdam richtte x).

De overheerschende positie welke Amsterdam inneemt, heeft voor de statistiek der Joden een gevolg, waarop hier dient te worden gewezen, namelijk de achteruitgang van het totaal aantal Joden, welke uit tabel II bleek. Het verband wordt duidelijk, wanneer men in het oog houdt, dat van 1920 op 1930 het totale aantal Joden is gedaald met 3302, het aantal in Noord-Holland met 2871 en het aantal in Amsterdam met 3235. Reeds bij de volkstelling van 1920 verklaarden 445 personen te Amsterdam, door geboorte of besnijdenis tot de Israëlietische kerkelijke gezindte te behooren, doch daartoe niet meer gerekend te willen worden (voor 1930 is dit cijfer niet bekend), buiten degenen die eenvoudig „geen godsdienst" opgaven. De groote toeneming van de „onkerkelijkheid" bij de volkstelling

1) Leonie van Nierop deelt in ,,De bevolkingsbeweging der Nederlandsche tad", mede, dat in 1870 de eerste Kaapsche diamanten werden aangevoerd. Het aantal diamantarbeiders steeg van naar schatting ongeveer 1100 in 1867, tot naar raming 3000 ; 1873. Sommigen meenen, dat er tusschen 1875 en 1880 ongeveer 15.000 a 20.000 t : mantwerkers te Amsterdam werkzaam waren (blz. 133).

Sluiten